De weg naar huis

In mei 2010 is het verhaal van Jan gedeeltelijk in het NRC Handelsblad verschenen.
Het is een mooi artikel geworden waarin het verhaal van Jan Seesing ter gelegenheid
van de 65ste viering van de capitulatie van Duitsland is afgedrukt.

Klik op de foto voor de hele bijdrage.
Doordat het bestand meer dan
3 MB heeft kan het een moment duren.
Jan Seesing NRC Handelsblad



Dagboek van Jan Seesing bewerkt door Fred Seesing

In 1943, tijdens de tweede wereldoorlog, werd Cornelis Jasper (Cor) Seesing (geboren 19.02.1922) op
zijn werk opgepakt en moest hij als dwangarbeider bij Opel in Brandenburg gaan werken. Hij kwam eerst op de schoonmaakafdeling terecht waar hij verf van gereedschap moest verwijderen. Later kreeg hij een administratieve baan. Later kwamen Johannes Bartelomeus (Jan) Seesing (geboren 03.03.1921) en Arnoldus Jacobus (Nol) Seesing (geboren 13.04.1923) ook naar Brandenburg. Tijdens de tweede wereldoorlog werd in Brandenburg de vrachtwagen Opel Blitz "S" gebouwd. In juli en augustus 1944 werd de fabriek door amerikaanse bommen sterk beschadigd. De broers waren echter niet persoonlijk betroffen. In de zomer 1944 werkten er 4500 werknemers bij Opel daarvan 1800 dwangarbeiders. De nederlandse dwangarbeiders werden overigens goed behandeld. Ze mochten zelfs met verlof naar Nederland. Wel was er een regeling dat als ze niet terugkwamen een collega niet met verlof naar huis mocht.                                  

Rechts op de foto v.l.n.r. Nol, Cor en Jan voor een Barak in Brandenburg. 

Eind April 1945 waren de Russen in de buurt van Brandenburg. De broers besloten hun koffers te pakken om te proberen naar huis te komen. Ze wilden in ieder geval proberen uit de handen van de Russen te blijven want men kon nooit weten of je niet naar Siberie werd gebracht. Het grootste probleem was de rivier de Elbe. Daar moesten ze overheen want aan de andere kant waren de Amerikanen. Op dinsdag 24.04.1945 gingen ze op pad. Doel: de Elbe in de hoop er ergens overheen te komen.

Jan, de oudste van de drie broers, heeft vanaf 24.04.1945 tot en met  09.05.1945 een dagboek bijgehouden. Hij schreef zijn belevenissen en de route die ze volgden in een klein boekje op.




Boven de weg die ze genomen hebben: Brandenburg, Brettin, Gladau, Grabow, Niegripp, Blumenthal, Burg, Niegripp, Hohenwarthe, Körbelitz(?), Hohenwarthe, Körbelitz(?), Belzig.

       (Elke alinea is een pagina in het dagboek)

       De weg naar huis.

 Dinsdag    24-4-´45.
 
´s Morgens tussen 9 en 10 uur werd alarm geblazen vijf min. lang, een teken dat de rus was met zijn pantsers in aantocht. Ik bedacht mijn eigen niet lang, ging mijn eigen wassen, omkleden, ik werkte n.l. in een bakkerij, en maakte aanstalten om zo vlug mogelijk in het lager te komen. Daar was ik ongeveer 10 min. toen mijn broer Nol aankwam en vroeg wat doen we nu. Ik opperde het plan om de voornaamste spullen bij

elkaar te pakken vervolgens naar Kees (opmerk. Fred: Kees was de bijnaam van Cor) te gaan en dan lopende de Elbe zien te bereiken, zo dat wij bij de Amerikanen kwamen, want die hebben zich in stelling gelegen aan de westelijke oever van de Elbe, en dan hadden wij misschien kans met een of ander vervoermiddel thuis zien te komen. Al spoedig waren wij bij Kees, en die voelde er ook veel voor om de benen te nemen, want net zo goed als wij bleef hij ook liever uit russiesche handen. Toen die zijn rommel bij elkaar had gepakt, gingen 

wij naar het lager van Nol ook de voornaamste spullen halen. Om 12 uur aanvaarden wij de de groten reis, vertrouwend op God, met een kilo brood, een jampotje rogge, een beetje bruine bonen, voor een paar cigaretten tabak, een groten zak, zware koffer, een klein koffertje, en een tas was onze mondvoorraad en bagage. Na een mars van ongeveer 22-23 km kwamen wij moei en afgemat in het dorp Brettin aan, waar wij tussen honderden vluchtelingen een 20 lagergenoten van mij vonden, die voor de komende nacht een onderdak

zochten. Na even beraadgeslaagt te hebben, hebben wij ons bij dat groepje aangesloten. Na een half uur gezocht te hebben, hadden wij een hooischuur gevonden waar wij ons nachtkwartier op konden slaan. Over de reis die wij van die middag achter ons hadden valt niet veel te vermelden alleen dat Kees verscheidene cigaretten op de kop had getikt, bij amerikaanse krijgsgevangene, die ook hun best deden om bij hun vrijheid te komen.

gauw de boel geregeld, om ons te slapen te kunnen liggen. Maar voor wij daar toe over gingen moesten eerst de magen gevuld worden, want die rammelde als een leeg conserven blijkje, maar waarmee, wij hadden niks meer, buiten die rogge en bonen. Maar daar kwam de reddende engel, ons werd gevraagd door een van die groep, wat wij voor etenswaren bij ons hadden. Ja dat was gauw verteld. Nou zei die persson geef maar hier, wij zijn van plan alles bij elkaar te doen, en dan zo lang als we bij elkaar zijn een gezamelijke pot te koken. Dat plan keurde

wij goed, want een ding stond voor ons vast, die andere hadden meer aan etenswaren bij zich dan wij. Een uur was ongeveer verstreken en daar werd geroepen dat we met de schalen konden komen. Nu ik kan niet anders zeggen, dat ik heb die avond heerlijk en genoeg gegeten aan griespap. En het fijnste was nog wel, toen wij kort daar na, onze vermoeide ledematen uit konden strekken in het gele stro een ding moet nog vermeld worden, dat we nog vijf blikken vlees voor de 20 man hadden gehad, op vertoon van passen. 

Woensdag 25-4-´45

Een nieuwe dag was aangebroken, om 8 uur waren wij weer uit de veren, stro bedoel ik. Na ons eigen aan de pomp opgefrist te hebben, en een paar sneden brood verorberd hadden, zijn we weer met frisse moed op stap gegaan.
Na een uur of wat getippeld te hebben kwamen wij bij een dorp aan, de naam ben ik vergeten, (opmerking Fred: waarschijnlijk Mützel, Mollenberg of Hüttermühle. Alle drie de dorpen liggen op ca. een afstand van 5 km van Brettin), en daar werd ons de doortocht gesperd door de volksstorm. Die vertelde ons we moesten maar in het gras gaan zitten, dan moesten wij net zo lang wachten, tot

dat er honderd man bij elkaar was, en dan zouden wij verder getransporteerd worden. U begrijpt wat een gissingen wij maakte, de een vermoedde dat, de andere dit. Na een uurtje was de ploeg groot genoeg om te vertrekken, dat wij de zwaarste koffers op een trekwagentje hadden gelegen met de dekens, nou dat was zo hoog vrachtje, dat we uit moesten uitkijken, dat het zaakje niet kantelen zou. Al gauw werden wij van de straatweg afgevoerd, en moesten wij

door een bos. Om daar met dat wagentje door te komen was een lijdensweg, na een anderhalfuur worstelen waren wij er doorheen. Al gauw werden wij weer aan ons lot overgelaten, konden wij weer gaan en staan waar wij wilde. Het eerste wat wij deden was rusten, en zien dat we in het dichtsbijzijnde dorp kwamen. Nu dat was niet meer zo ver weg naar het dorp Gladau lopen. Daar kropen wij weer in een schuur op een groot riddergoed. Daar kregen wij brood, en

spullen om middageten te koken. Daar hebben wij allemaal de koffers na gekeken, en de overtollige spullen er uit gehaald. Wij hebben daar nog in een veldkeuken pelkartoffelen gekookt voor ongeveer 300 mensen, een oorlog was het in het klein. De donderdag zij wij daar gebleven. Vrijdag zouden wij weer vertrekken begeleid door de volksstorm

Vrijdag 27-4-´45

´s Morgens om 9 uur stonden wij voor het vertrek gereed, allerlei nationaliteiten. Het praatje ging dat wij zouden tot aan de Elbe gebracht worden, en daar zouden de amerikanen ons overnemen. Heel aardig klonk dat in onze oren, alleen hechtte wij er niet veel waarde aan. Door bossen en over de hobbeligste landwegen hebben die rot moffen ons gevoerd, maar geen Elbe kwam in het zicht. Om een uur of twee

kwamen wij in een dorp aan, en daar zijn wij gaan zitten. Daar hebben wij net zo lang gezeten tot het die moffen ging vervelen, en die rechtsomkeer hebben gemaakt. Gelukkig die waren wij weer kwijt. Al vlug waren wij weer op gestaan, en zijn wij weer gaan tippelen niet door bossen, nee over goede wegen. Drie tot vier uur achter elkaar hebben wij gelopen, dat deden wij hoofdzakelijk om die colonne kwijt te raken. Daar zij wij dan ook aardig in

geslaagd, op een twintig Italianen na, die bleven als een klit achter ons hangen. In het dorp Grabow hielden wij halt. Het eerste wat gedaan moest worden, was naar de burgemeester gaan, voor slaapgelegenheid en levensmiddelen. Zeker een uur lang hebben er twee van ons heen en weer gelopen, maar eindelijk was het zo ver, dat we konden intrek nemen, op een klein boerderijtje, en het eten kwam ook in orde. Het eten en slapen beviel ons daar zo best

dat wij waren van plan om daar een paar dagen te blijven, want tussen al die bedrijven door, werd verteld dat niemand kwam over de Elbe, geloven deden wij het niet, want weer andere vertelde in Hohen Warthe (opmerk. Fred: Hohenwarthe) daar werden lui over gezet. Er werd op het laatst zo veel gekletst, dat je deed de oren maar dicht, en wachtte maar af. Het eten was prima wat wij deden, maar roken was er niet, dat was ook een groot vraagstuk hoor. Ik meen dat het maandag

was, dat een duits officier ons tracteerde op 32 broden van 1500 gr. Nou dat konden wij goed gebruiken. Dinsdagavond zeiden wij tegen elkaar, jongens hoe denken jullie er over zouden wij morgen maar niet opstappen, zo komen wij ook niet verder. Enkele waren er op tegen, maar het merendeel had wel zin. Afijn na even over en´weer gesproken te hebben, was het besluit van vertrek genomen, en gingen wij de laatste nacht in Grabow tegemoed. 

Woensdag 2-5-´45

Meer als een week waren wij nu onderweg, en nu, na afscheid genomen te hebben van de boerenfamilie waren wij weer aan het stappen gegaan, richting Elbe. In de stad Burgh (aanmerking Fred: Burg) aangekomen, hebben we een korte rustpauze gemaakt, en gelijk wat levensmiddelen ingeslagen, dat bestond uit 2 kilo suiker, 1 fles slaolie, 1 stuk spek en een klusje worst, dat konden wij krijgen, op boterbonnen die wij in Grabow niet

kwijt konden omdat daar niks was. Een eind voorbij Burgh zijn wij weer gaan zitten, en hebben ons eigen eens te goed gedaan aan brood met spek en worst, op zij hollands gezegd, wij hebben eens goed zitten scheuren. Verzadigd en vol moed gingen wij weer verder op mars. Ik meen dat wij toen weer in één ruk vier – vijf uur gelopen hebben, toen waren wij ongeveer nog 10 km verweiderd van Hohen Warthe. Op een driesprong hielden wij een kwartiertje rust, en onder dat kwar-

tiertje, waren verschillende mensen voorbij gekomen en vertelde ons dat in Hohen Warthe was ´t overzetten stop gezet omdat drie knapen van de Hitler jeugd een paar amerikanen neer geschoten hadden. U begrijpt hoe onze stemming was, nu waren wij vlak bij de Elbe, en nu was het pet. Wat nu te doen. Een Duitser gaf ons de raad om naar Niegred (opmerking Fred: Niegripp) te gaan, dat was een dorp ongeveer 2 km. in N.W. richting. Daar lagen nog veel meer vluchtelingen. Wij hebben

toen de zaak maar weer opgenomen, en met de moed in de schoenen weer gaan tippelen. Een paar honderd meter voor het dorp, stonden een paar wagons naast de rails, met stro er in, en er één stond er bij, daar stond zelfs een kacheltje in, daar zouden wij intrek nemen, als er soms in dat dorp geen plaats meer was. Drie van ons gingen poolshoogte nemen. Anderhalf uur bleven ze weg, intussen hadden wij meer mensen gesproken die vertelde, dat in Bloementaal (opmerking Fred: Blumenthal) waren ze aan het overzetten met

rijnaken, wij wilde het eerst niet geloven, maar die mensen zeiden het met zoo´n overtuiging, dat wij kregen weer nieuwe moed. Vooral toen wij later een paar hollandse schippers spraken, die er zelf waren geweest, en hun collega over hadden zien zetten. Nu toen wij dat hoorde, waren wij door het dolle heen, nu was het voor elkaar, plannen werden gemaakt voor de volgende dag. Wij zouden om een uur of zes opstaan zo dat wij vroeg in Bloementaal waren. Het was een 15 KM dus om 9

uur konden wij daar zijn. Wij waren druk aan het praten, en tussen die bedrijven door waren de drie uit het dorp weer in ons midden gekomen, met brood. vlees, kaas, en met de mededeling dat wij maar in de wagon moesten gaan slapen, want in het dorp was geen plaats. Nou dat was zo erg niet. Sommige beweerde, al konden we helemaal niet slapen, dat zou mijn een biet wezen, zo vol waren ze van de volgende dag. Maar ik kan U wel vertellen ik was blij dat ik mijn ledematen uit kon strekken

Donderdag 3-5-´45

Zoals wij afgesproken hadden, waren wij vroeg op de been, wij waren weer uitgerust, dus gingen vlug met nieuwe hoop op stap. Het was goed weer. De stemming was goed, en al waren de wegen niet zo mooi voor het wagentje, ondanks dat, schoten wij lekker op. Onderweg hoorde wij van iedereen die wij spraken, dat er nog steeds werd over gezet. Er lag daar nog een rijnaak met kolen en jam, (opmerking Fred: er staat jAM maar ik weet niet wat het betekent), daar hadden ze

witte vlaggen opgezet, een teken van overgave, en de mensen van de omliggende dorpen liepen met wagentjes en fietsen, kolen en jam te slepen zo veel als ze maar konden. Om half tien stonden wij aan de Elbe, aan het water dat scheidde van de vrijheid. Maar wat wij zagen, geen tekenen van overzetten. Al gauw hoorde wij, dat duitse officieren waren overgestoken, om te onderhandelen, waarover dat wist niemand. Afijn wij zijn in het gras gaan zitten, beschut achter een bosje, want de wind

was behoorlijk koud aan die Elbe. Het voorstel werd gedaan, om eens flink wat brood te scheuren, nu dat werd volstemmig goed gekeurd. Onder het eten kwam er nog een hollandse vrouw bij ons zitten, met twee kleine kinderen, die wou ook zien, dat ze over de Elbe kwam. Na de middag kwam er leven in de brouwerij. Amerikanen verschenen aan de overkant en de Moffen kwamen terug. U begrijpt wat een kring van volk of daar omheen gevormd werd, iedereen was nieuwsgierig wat

of er gebeuren ging. Eerst zouden worden over gezet duitse gewonde soldaten dat waren er ongeveer 1000. Vervolgens Hollandse, Franse etc. krijgsge-vangene, en dan kwamen de burgers. Her duurde ongeveer twee uur voor dat de eerste aak over ging, en wat ging dat lossen langzaam, verschrikkelijk. Gelijk met die Moffen, waren ook de krijgsgevangene overgezet, met een andere aak, die waren tegelijk overgegaan. Dus als dat zaakje gelost was, dan waren wij er aan. Op een gegeven

ogenblik hoorde wij van de andere kant, een vrouwenstem, die riep, hallo, hallo Hollanders houd moed, jullie komen er ook over hoor. Een gekkenhuis was het, toen wij dat hoorde. Om zeven uur kwam een aak terug, toen hij eenmaal aan de kant lag, had U eens moeten zien hou gauw of die vol was, van alle kanten sprongen en kropen ze er op. Kees was ook een van de gelukkige, maar Nol en ik stonden nog aan de kant, en het was voor ons onmogelijk om er nog bij te kunnen, er

waren er zelfs bij, die hingen aan de reling. Kees riep al naar ons, doen jullie nu je best, bij de volgende keer, ik blijf daar wel op jullie wachten. Plotseling werd er geroepen, alle burgers van boord. Alleen soldaten en krijgsgev. worden toe gelaten. Wat was nu gebeurd, in die tijd, dat de aak aan de andere kant had gelegen, waren er weer honderde soldaten bij gekomen. Een paniek was het op die aak, alles moest er af en niemand had zin. Er werd gescholden, van

alles door elkaar. Zo vlug als dat volk er op gegaan was, zo langzaam ging het er af. Eindelijk was Kees weer in ons midden. Wat deden wij nu. Eerst zouden we de andere jongens maar op gaan zoeken. Toen wij die gevonden hadden, was het daar ook niet erg pluis, ze hadden n.l. woordenwisseling. De een wou de volgende aak afwachten, de ander wou een slaapgelegenheid opzoeken in het dorp. Het eind van het liedje was dat wij gingen uit elkaar. Wij gingen dan ook met

ons drieen onze eigen weg. Het was in het begin wel pijnlijk, want wij hadden met het ploegje niet zo slecht geleefd. Ik bedoel niet wat het eten aangaat, nee het kon soms reuze gezellig zijn, op de laatste twee dagen na, toen was het nog al eens hommeles onder elkaar. Dat was dan ook wel een van de feiten dat wij de zaak spltste. Wij met ons drieen besloten om die aak die ondertussen weer aan de overkant lag, af te wachten. Het werd al aardig

donker. Nog meer mensen bleven met ons aan de Elbe. Niet alleen hollanders maar ook fransen, duitsers, Italianen, Polen enz. Er waren er zelfs, die maakte aanstalten om die nacht slapende aan de Elbe door te brengen. Dat deden ze echt op zijn indiaans. Dan maakte ze een vuur en de een na de ander, zou dan de wacht houden, om dat vuur aan te houden. Overal waar je keek, welke richting ook, zag je zoo´n kampvuurtje, dat was werkelijk een

imposant gezicht. Een eindje van zoo´n vuurtje af, kon U ons af en toe in een opflikkering van het vuur zien staan, met de kraag hoog op, want het was ijzig koud geworden. Behagelijk rokend van een cigaret van duitse tabak. Hoe wij aan die tabak kwamen, dat moet ik er even tussen lassen, dat is wel de moeite waard. De avond daar voor, toen wij in die wagon zouden gaan slapen, was er een duitse soldaat komen vragen of wij niet een oude jas hadden, en een oude broek, dan had hij wel tabak en

sigaren voor ons, dan kon hij zijn soldatenpakje uit gooien, dan was hij vrij man. Toevallig had Kees een oude jas, waar de rafels bij hingen, en Nol had een oude broek, die hadden wij gauw van de hand gedaan voor 50 gr. tabak en vijf sigaren, zo doende hadden wij wat te roken. Het was al tien uur geweest, toen de aak, met een scherpe schijnwerper er op terug keerde, en burgers die nog door de soldaten door, op de boot waren gekropen, kwamen mee terug, dus dat was

voor ons een teken, dat wij gerust rechts om keer konden maken, want het was weer verkeken. Begrijpt U onze stemming. Wij zeiden niets, maar dachten des te meer. Weg waren de mooie dromen, dat wij spoedig thuis zouden zijn, bij vader, moeder bij allen die ons dierbaar zijn. Het was allemaal een desillusie geworden. Zwijgend gingen we terug naar het dorp, vlak aan de Elbe, zoeken in het donker van de nacht, naar een slaapplaats. Eindelijk vonden we een grote hooischuur, waar nog meer mensen

lagen. Trappend op voeten en handen van wakker schrikkende mensen, vallend over koffers en zakken, vonden wij bij het licht van Kees zijn cigarettenaansteker, wat zeer gevaarlijk was voor brandgevaar, een geschikt plaatsje voor ons door de zware desillusie vermoeid lichaam. Eerst na lang peinzen, waarom de terugkeer naar huis ons zo tegen zat, ben ik eindelijk in slaap gevallen.

V
rijdag 4-5-´45

Het was al zeven uur geweest, toen wij wakker schrokken, wij waren een van de laatste, want al de andere die daar geslapen hadden, waren allemaal al weg. Tijd om te eten gunde wij ons niet, wij wilde zo gauw mogelijk aan de Elbe zien te komen, misschien hadden wij nu kans. Daar aangekomen zagen wij dat er weer een aak was over gegaan, en wij hoorde met burgers. Wij kregen weer nieuwe moed, dat begrijpt U. Na een klein

uurtje keerde hij terug. Ons hart klopte ons in de keel, zouden wij nu geluk hebben. Midden op de Elbe bleef hij liggen. de kapitein zette een hoorn aan zijn mond, en riep, dat voor vandaag was het overzetten stopgezet, omdat aan de overkant was geen plaats meer. Teleurstelling en onze stemming, zal ik maar niet meer schrijven. Wij zijn ik zal maar zeggen volgens plan van de Elbe terug getrokken, en zijn aan de dijk een

paar boterhammer gaan zitten eten. onder het eten zagen wij nog een paar jongens van het oude groepje aankomen, die kwamen ook nog eens kijken.Wij hebben nog een paar woorden met hun gewisseld. Na dien hebben wij ze niet meer gezien, want wij zijn in een auto gestapt, die terug ging naar Burgh. Daar aangekomen zijn we naar een distributiekantoor gegaan, zien dat we wat eten op de kop konden tikken, waar wij niet in slaagde, alleen konden wij in een winkel drie bussen erwten zonder bon

kopen. Na even beraadslaagt te hebben, besloten wij naar het dorp Niegrep terug te gaan, daar zouden wij bij een boer onderdak zoeken, en naar de burgemeester gaan voor eten. Wij wilde daar een paar dagen blijven want voorlopig was het trekken ons moe. Een paar k.m. daarvan verwijderd zagen wij op een brug een groepje duitse soldaten staan, en die beweerde met zoo´n overtuiging, dat in Hohen Warthe, waar wij al naar toe hadden

willen gegaan, Hollanders, Fransen en Belgen werden overgezet. Wij wilde het niet geloven, wat zeer begrijpelijk was, maar die lui keken ons zo verontwaardigd aan, dat wij moesten het wel geloven. Dus gingen weer op stap, een k.m. of zestien lopen naar Hohen Warthe. Wij hadden ongeveer acht k.m. achter de rug, toen wij besloten een boterham te eten, want onze magen rammelde danig. Onder het eten kregen wij bezoek van twee duitse soldaten, die ook op stap

waren naar de Elbe. Die hadden n.l. net als vele andere de wapens neer gelegen, en wilde zich over geven aan de Amerikanen. Al gauw hadden wij in de gaten dat die soldaten van de honger bij ons waren komen zitten. Ik vroeg dan ook of ze een boterham lustte. Nou was hun antwoord, als wij konden missen graag. Uit dankbaarheid kregen wij daar voor in ruil, negen cigaretten en een pakje goede tabak. Daar waren wij weer op onze beurd

blij mee, want wij hadden net niets meer. Ondertussen vertelde die soldaten, dat Berlijn gevallen was, en dat de Russen spoedig hier zouden zijn. Zij waren niet meer te houden. Wij keken elkaar eens aan, en in alle drie onze ogen lag te lezen, dat we op moesten schieten, om aan de andere kant te komen, anders vielen wij nog in de handen van de Russen. Wij bleven dan ook niet lang meer zitten en gingen lopen, zo vlug als onze moede ledematen het toelieten. Na een goed uur tippelen kwamen

wij in het dorp aan. Ik had onderhand flink koppijn gekregen, natuurlijk van de zenuwen, waar ik nog al eens dikwijls last van heb. Begrijpt U onze verbazing toen wij aan de grens van het dorp hoorde dat verschillende Amerikanen over waren gekomen. Ja hoor al gauw zagen wij ze lopen, en uit elk huis hadden de bewoners lakens gehangen, die hadden zich over gegeven. Verschillende Yankees hadden ons al aangehouden, en

vroegen, wat voor landslieden wij waren. Kees die nog een beetje van dat koeterwaals spreken kan, stond ze te woord, en zei dat wij Hollanders waren. Dan beduidde zij ons, dat wij naar de Elbe moesten gaan, dan zouden wij wel over gezet worden. Wat waren wij blij, nu hadden wij zekerheid, jammer dat ik zoo´n hoofdpijn had, anders had ik gejubeld, dat ze het thuis hadden gehoord. Wij namen nog even tijd om bij de bakker aan te lopen, proberen of wij niet wat

brood zonder bon konden kopen. Ja hoor, even later liepen wij alle drie, met een stuk brood onder de arm. Een paar min. later stonden wij weer aan de Elbe, en de Amerikanen stonden daar ook, met meer dan 1000 vluchtelingen om zich heen. Een grote roeiboot lag aan de kant, en daar stonden ook van die gasten, druk op kauwgom kauwend, met een heerlijke cigaret tussen de lippen, die ze als ze die half opgerookt hadden, nongelant in

het water gooide. Wringend door het volk heen, het waren meest duitse soldaten, hadden wij de waterkant bereikt, en stonden vlak bij de boot. Maar niemand werd ingeladen. Wij hadden een tien min.gestaan en daar kwam een engelse familie aan, met een stoot bagage, dat was niet mooi meer. Het bleek later dat ze daar op gewacht hadden, want de zaak was spoedig ingeladen, de boot voer af, met de mededeling dat hij niet meer terug kwam. Moedeloos pakte wij onze bagage

weer op, en verlieten weer die vervloekte Elbe. Kees nam onze passen, en ging daarmee naar de burgemeester, zien dat wij wat te eten konden krijgen. Al gauw kwam hij onverrichtte zaken terug, met het bericht dat de burgemeester was overgestoken naar de Amerikanen. Wij hebben toen maar een slaapplaats opgezocht waar wij nog al spoedig in slaagde, hebben toen wat brood gegeten, en zijn maar gaan slapen. Met nieuwe moed voor

de volgende dag, en tevens om die dag vol ellende te kunnen vergeten.

Zaterdag 5-5-´45

De andere Morgen, om zes uur stonden wij, met nog wel meer als 1000 mensen, weer aan de Elbe. Het was koud, regenachtig weer, en het zag er niet naar uit, dat het die dag op zou klaren. De boot lag aan de andere kant, en verderop stonden een paar Amerikanen op wacht. Wij hadden denk anderhalf (opmerking Fred: waarschijnlijk bedoelde Jan anderhalf uur) gestaan, waren

flink nat geregend, en kregen hoe langer hoe meer kou, en waarvoor of wij daar nu stonden, dat wisten wij niet, er kwam geen verandering in de toestand. De soldaten bleven staan waar ze stonden, en de boot bleef deinend in de Elbestroom liggen waar hij lag. Moedeloos zei ik tegen mijn broers, kom laten wij de rommel opnemen, dan gaan wij terug naar de schuur waar wij geslapen hebben, dan wachten wij daar de Russen maar af, en zullen dan maar zien wat met ons gebeuren

gaat. De terugweg naar huis is ons nog niet gegund. Zwijgend liepen wij achter het elkaar het dorp weer in, gevolgd door een Hollandse schipper genaamd Jan Hendriks die ook de mening was toe gedaan, en zich bij ons aansloot. In de schuur aangekomen hebben we eerst wat zitten eten, droog brood, met de laatste suiker. Wij hadden toen wij klaar waren met eten de boel opgeruimd, of daar hoorde wij, dat Iwan, bij naam voor Russen, het dorp was binnen gerukt. Ik weet niet, hoe ik U die opluchting moet verklaren, die wij ondervonden, toen ons dat te oren kwam, was het misschien dat wij nu niet meer teleugesteld konden worden,wat het overzetten aangaat, of was het misschien, dat wij ons lot aan hogere hand overlieten. Ik ben er absoluut van overtuigd, dat mijn beide broers, dezelfde nare conclusie trokken als ik, dat die vele k.m. die wij te voet hadden afgelegen, in weer en ontij, dat die nachten van slecht slapen vanwege kou, of andere narigheden, of die blaren die wij op onze voeten had-

den gelopen, dat, dat allemaal voor niets was geweest. Kom zeiden wij resoluut tegen elkaar, laten wij eens zien hoe de Russen er uit zien, want hier op de hooischuur worden wij niet wijzer. Al gauw zagen wij er een paar aankomen, de vrouwen die aan de deur stonden, gingen haastig naar binnen, wat zeer begrijpelijk is, als wij de Duitse propeganda na gaan. Nou ik moet U eerlijk vertellen die Amerikanen bevielen mij ook beter, dan die oosterljke troni´s. Er zijn er bij, die er nog al

beschaafd uitzien, maar als men die mongolen neemt, dan kan men als vrouw zijnde daar gerust bunzig (opmerking Fred: bevreesd) voor zijn. Een minuut of tien later, wij waren weer de hooischuur op gegaan, kwamen er een paar het erf op, voor inkwartiering. Benieuwd gingen wij naar beneden, kijken wat er gaande was. Ondertussen dat wij de ladder afgingen keken wij de straat op, en daar zagen wij die honderde duitse soldaten die aan de Elbe hadden gestaan, terug voeren door Russen begeleid. Dus die hadden pech gehad.

Onder aangekomen, stond een Rus beneden aan de ladder ons op te wachten, die had gezien toen wij naar beneden kwamen, dat ik een armbandhorloge had. Gauw had hij mij duidelijk gemaakt, dat hij dat wou hebben. Protesteren zou weinig baten, dus gaf ik het maar zonder meer af. Liever had ik het voor zijn poten in gruis gegooid, maar ik heb mijn leven nog veel te lief. Al gauw werd ons verteld dat wij het erf moesten verlaten. Toen wij vroegen waar wij dan heen moesten gaan, was het antwoord, naar huis. Dat lieten wij ons geen twee keer zeggen, en

gingen we weer naar de Elbe, want daar moeten wij in ieder geval over heen. Wij dachten niet anders, dat het over zetten was weer in volle gang, maar natuurlijk alleen voor Hollanders, Fransen en Belgen. Maar wat een teleurstelling was het, toen wij aan de Elbe kwamen en zagen, dat er niets maar dan ook niets aan de hand was, geen kip was er te zien, alleen lag er aan de kant een flinke roeiboot te dobberen. Zonder aarzelen opperde wij het plan om over te varen, de stroom was wel

sterk, maar met die schipper die wij bij ons hadden, zou dat geen hinderpaal voor ons zijn. Wacht zei een van ons, dat kunnen wij nu wel doen, maar zouden de Russen dat toelaten, stel je voor dat als wij midden op zitten, en ze schieten die boot lek, je kan dan nog zoo´n goede zwemmer wezen, maar tegen zoo´n stroom was niet te vechten. Wij besloten naar een Russische commandant te gaan, vragen voor toestemming. Spoedig hadden wij er een gevonden, want die liepen daar met bosjes rond. Wij lagen

hem zo goed en zo kwaad als het ging de zaak uit een, en wachtte met spanning af wat of nu het antwoord was. Als wij de boot terug brachten, konden wij gaan. Als gekken, zo hard die kunnen lopen, liepen wij naar de boot. De boot terug brengen niemand die daar aan dacht, als wij maar aan de overkant waren. Wij met z´n vieren, een Fransman en een Duitser was de bemanning. Vlug werd de ketting binnen gehaald, en daar gingen wij. Ik kon wel jubelen zo blij was ik, dat wij het

nu toch gewonnen hadden. Met de bevelen van de schipper, vier van ons hadden een roeispaan vast, schoten wij aardig op. Als wij die niet bij ons hadden gehad, dan hadden wij als leek zijnde, met de stroom meegevoerd geworden, en hadden misschien nu nog op de Elbe rond gedobberd. Vijf min. hebben wij nodig gehad om de overkant te bereiken. Als eerste sprong ik aan wal, een zucht van voldoening en opluchting kon ik niet nalaten te slaken. Dat wij nu toch aan de overkant waren, en de weg naar huis voor ons open lag.

De laatste was nog niet aan de wal, en daar hoorde ik achter een bosje, gekraak van takken. Verschrikt keek ik om, en daar zag ik voor het eerst een Amerikaan voor mij staan. Altijd heb ik gezegd tegen de jongen van mijn kamer in Brandenburg, zo gauw ik de eerste Amerikaan ziet, zal ik hem juigend begroeten. Ik moet even een fout in bovenstaande regels herstellen. Daar staat dat ik de eerste Amerikaan zag, maar dat klopt niet, want wij zagen ze al, toen we het dorp Hohen Wahrte (opmerking Fred: Hohenwarthe) binnen

kwamen. Ik bedoelde daar dan mee, de eerste aan de overzijde, op amerikaans grondgebied. Maar dat begroeten, kon ik nu moeilijk doen. Ten eerste keek mij die kerel aan, alsof hij mij op wou vreten, en ten tweede hield hij een geweer op ons gericht, en sprak, go back in the boot, terug in de boot. Verstaan deed ik hem niet, maar begreep hem des te beter. Ja jongens zei Kees, wij moeten weer terug. Wacht even zei Nol tegen Kees, kan je hem niet aan zijn verstand brengen, dat wij Hollanders zijn. Hij kan wel denken dat

wij Duitsers. Kees aan het lullen, maar niets dat hielp. Ondertussen waren er drie Amerikanen bij gekomen, en die hadden gelijk een twintig Duitse soldaten mee genomen, die moesten wij gelijk mee terug nemen. De wanhoop na bij stapte wij als laatste in, en daar gingen wij weer. Gevaarlijk was de overtocht, ten eerste was de boot te zwaar bemand, en ten tweede was de schipper die de bevelen moest geven, de kluts kwijt, wat best te begrijpen was. Van de eene kant, naar de ander

werden wij geslingerd, meer als 500 meter dreven wij af. Eindelijk na twintig min. knoeien op dat woeste water stapte wij weer aan de kant. Tien man waren ongeveer uitgestapt, of daar klonk een schot. De Russen die ons hadden aan zien komen begonnen een beetje rot te doen. Verschrikt gingen onze handen omhoog en stonden wij daar, benieuwd met angst afvragend wat er nu gebeuren ging. Al gauw waren ze ons genaderd, het opstellen was in tijd van een ogenblijk gedaan, of wij nu Duitser waren

of niet, wij werden even goed weggevoerd naar de commandant. Nu zei Nol, wij zitten in de boot, maar nu in een andere, als zo even, wij zijn prachtig krijgsgev. gemaakt. Bij de commandant aangekomen, werden wij weer weggestuurd, wij hadden, zei hij, hier niets mee te maken. Wij moesten naar huis toe gaan. Daar stonden wij weer, met al de rommel op straat. We moesten naar huis. Waarom moesten zij dat ieder uur van de dag zeggen, het klonk op het laatst als een vloek in je oren. Het was toch onmogelijk. Van alles op

alles hebben wij gezet, wij mochten niet slagen. Radeloos liepen wij weer in het dorp rond, afgemat sjouwend met de bagage, met een lege maag, want die twee laatste sneden brood die wij ´s morgens hadden opgegeten, dat had niet veel geholpen. Na een uurtje rond gezworven te hebben, vonden wij weer een slaapgelegenheid. Moe vielen wij in het stro, met de gedachte, wat er mij gebeuren gaat gebeurd er. Het kan mij helemaal niets meer schelen. Hoe lang wij gelegen hebben weet ik niet, toen

wij werden opgeschikt door het lawaai van een Rus, die ons beduidde, dat wij mee moesten komen, bagage konden wij laten staan. Op een pleintje moesten wij wachten, met nog meer buitenlanders en een zooitje duitse burgers. Zeker twee uur hebben wij daar gestaan. Ondertussen waren nog ´n stelletje Amerikanen over gekomen, en zagen wij de begroeting van die gasten en de Rus. Daar kan ik geen bijzonderheden over schrijven, want dat interesseerde mij niets, alleen dat, toen het stelletje uit

elkaar ging, was het intressant, hoe een groep peukjeszoekers vochten om de halve cigaretten die de Amerikanen neer hadden gegooid. Het was ongeveer zeven uur toen wij vier aan vier afmarscheerde, waarheen, niemand die iets wist. Als je het aan een Rus vroeg die ons begeleide, verstond hij je niet. Bijna drie uur hebben wij haast gelopen, toen wij eindelijk, het was al donker, in een dorp halt hielden. (opmerk,. Fred: het is moeilijk te bepalen welk dorp dit geweest zou kunnen zijn. Jan beschrijft echter later dat ze nog eens in dit dorp kwamen en toen onderweg naar Belzig waren. Het zou dus Körbelitz of Wörmlitz geweest kunnen zijn). Honger dat wij hadden, verschrikkelijk, we konden haast niet meer op de benen staan. Wij zeiden al

wij hebben gescholden op die moffen, maar die gaven tenminste nog te vreten. Maar die Iwan laat je stiekum uithongeren. Plotseling werden bevelen gegeven, alle opstellen vier aan vier. Moeizaam richtte je, je eigen maar weer op, en ging maar weer staan. Even van te voren, ja een typisch geval is dat was ik naar een Rus gelopen, en vroeg hem of hij een cigaret voor mij had? Nee, zei hij, maar kom maar mee.Hij liep naar een troep duitsers toe, en vroeg aan die lui

om een cigaret. Overal wel van zes, zeven kanten hielden ze een doosje voor. Twee cigaretten nam hij, en gaf er een aan mij. Zelf stak hij de andere op. Het was een genot, om die verbaasde troni´s van die Moffen te zien. Om weer op het aantreden terug te komen, toen wij eenmaal stonden, kwam er een commandant aan, en riep alle nationaliteiten terzijde. De Duitsers moesten blijven staan. Spoedig hoorde wij dat we weer naar Hohen Warhte konden gaan. Daar voelde wij niet veel

voor. Trouwens wij zouden het niet kunnen ook. Een eind terug vonden wij een soort toneelzaal, daar lagen al verscheidene vluchtelingen te slapen, nou daar kropen wij ook maar bij. Daar waren ook Serven, die door de Duitser krijgsgev. waren gemaakt. Nu die zijn al zo lang in Duitsland. dat die spreken en verstaan, ook heel goed de duitse taal. Ik stapte naar zoo´n snuiter toe, en vroeg of het niet mogeliijk was dat als wij naar de Russische commandant gingen of wij dan niet wat te eten konden krijgen, voor

een man of zes. Dat zal wel gaan, zei hij. Toen vroeg ik hen, of hij dan misschien mee wou gaan, om het te vragen, want die lui spreken natuurlijk Russisch ook. Direct was hij daar toe bereid. Al gauw hadden wij een commandant gevonden, die woonde in de voorkamer van een boerderij. Wij stapte daar met z´n drieen naar binnen, of dat wij daar woonde, zonder kloppen, zonder wat, en dat bij de commandant. De tolk deed het woord. Twee min. later zaten wij aan tafel, en deden ons te goed aan de soep zo vet als bagger met

een zooitje vlees er in, en gries gekookt in melk, dus niet in water, zo als wij het gewoon waren. Toen wij ons eigen dik hadden gegeten, stapte wij weer spoedig op en namen gelijk eten mee in een grote kan voor mijn broers. Nou die sprongen een gat in de lucht, blij dat ze wat te eten hadden. Toen ze eenmaal gegeten hadden, duurde het niet lang meer, of wij lagen weer op het stro. Een van de naarste dagen van mijn leven had ik achter de rug. 

Zondag 6-5-´45

Al vroeg waren wij wakker. Erg best geslapen hadden wij niet maar daar konden wij geen rekening mee houden. Op stap moesten wij weer, terug naar Hohen Warthe. Spoedig waren wij weer daar, want we hadden flink door getippeld. Veel valt er over die dag niet te schrijven. Met een beetje rond hangen, in het dorp, of in de schuur, is de dag omgegaan. Dit moet nog vermeld worden. Dat wij blij waren dat onze bagage, nog ongeroerd in de schuur stond want die Iwan snuffeld nog al graag.

Maandag 7-5-´45

Om zeven uur, was het opstaan geblazen, want om 8 uur moesten alle buitenlanders en duitse vrouwen pantsersperren op de autobaan opruimen. Tot ´s middags drei uur waren wij de sigaar. In het dorp aangekomen kreeg ieder een pond  brood. Later bleek dat er niet genoeg brood was, dus moest er bij gebakken worden. Wij stonden nog te wachten toen er werd gevraagd, of er onder ons een bakker aanwezig was. Een Italiaan en ik meldde ons eigen, niet

omdat ik zo graag werken wou, dat ik mij meldde, want wij hadden die dag ons portie wel gehad, op twee sneden brood. Maar ik had dan kans om wat brood mee te nemen. Het brood ging net de oven in, toen ze ons kwamen vertellen, dat alle buitenlanders moesten met bagage aantreden, dat was een strop, want nu had ik geen gelegenheid, om brood mee te nemen. Het was zeven uur toen wij afmacheerde, oostelijke richting. De meeste liepen al, nou wij gaan net als de Moffen naar Siberie. In het dorp waar wij al

gweest waren, hielden wij weer halt, en wij werden weer in die toneelzaal gestopt om te overnachten. Hoe wij daar een plekje moesten vinden was gewoon een raadsel, want het lag daar tjokvol. Nol en ik, hadden ons bij een deur, tussen een hoopje mensen gewrongen, en probeerde te slapen, wat niet erg best lukte, want ieder ogenblik ging de deur open. Dan kwam er iemand in, en dan ging er weer eentje uit. Toch schijnen wij in slaap gevallen te zijn, want

plotseling, het zal ongeveer drie uur geweet zijn, werden wij opgeschrikt door een geweerschot, dat vlak achter de deur geklonken had. Even daarna werd de deur weer open gemaakt, en kwamen twee Russen binnen. Toen ze in de gaten hadden dat wij wakker waren vroegen zij aan ons, of wij soms wisten of hier vrouwen waren. Nee dat konden wij hun niet zeggen. Zij stapte over ons heen en gingen schijnbaar zoeken. Even later kwamen ze onverrichte zaken terug en vroegen aan ons, of wij misschien

zin hadden om te helpen met het slachten van een koe, in het licht van een petroleumlamp, badend in het bloed. Ja nu wisten wij gelijk waarvoor dat schot gediend had. Algauw lag het beest met een bijl en messen, in stukken en brokken. Dat vlees werd daarna in een grote ketel gekookt. Om acht uur kreeg ieder een snee brood met een

stuk vlees. Nol en ik kregen zo veel dat wij konden het niet op. Om negen uur moesten wij alle weer opstellen voor de afmars. Een eindeloze colone was het van voetgangers, trekwagentjes, allerhande soord fietsen, paard en wagens, een traktor met een grote aanhangwagen was er ook nog bij, bestuurd door Belgen. Daar konden wij onze bagage opleggen. Minstens 30 km. hebben wij die dag gelopen, ik ben wel eens moe geweest, maar zoals die dag nog niet. Dat kwam natuurlijk hoofdzakelijk, omdat ik die

nacht hoegenaamd niet geslapen had. Op een grote boerderij werden wij voor de nacht ondergebracht. Naar de stallen en de mest die daar lag te oordelen, moet daar ontzettend veel vee gestaan hebben, maar er was geen kip meer te zien. Alles was geslacht, overal zag je dan ook darmen en huiden leggen. Wij zijn ook nog in de woning gaan kijken. Sjonge, jonge wat hebben ze daar huis gehouden. Alles lag op en door elkaar, het is niet te beschrijven, hoe of het er daar uitzag. Ik heb nog verschillende

gloednieuwe hand en theedoeken mee genomen, en een grammaphoonplaat. Die avond werd er een varken geslacht, aardappelen lagen daar genoeg, dus hebben wij ons toch sinds lange tijd dik kunnen eten. Het was bij tienen toen wij gingen slapen. Nu ik heb die nacht geslapen, daar kan U van op aan. 

Woendag 9-5-´45

Om zeven uur werd het bevel gegeven van opstaan. De tocht naar Belzig werd voortgezet. Ons was onderhand bekend geworden, dat alle buitenlanders en krijgsgev. moesten zich naar Belzig begeven. Daar vandaan zouden wij per transport naar huis worden gebracht, dus niet naar Siberie. Wij zouden onze bagage op de aanhanger liggen maar dat was al niet meer nodig, de Russen hadden de trekker in beslag genomen. Ja wat nu te doen. Als wij die reis naar

Belzig de bagage moesten dragen, nou dan liepen wij per dag wel vijf km. Wacht daar schoot mij wat te binnen. In een van de schuren had ik eem koets zien staan. Ik zei tegen Kees, ga je mee kijken, of hij nog in orde is, dan nemen wij dat ding mee. Met een man of wat rijd zoo´n koets niet zwaar. Afijn wij haalde dat rijtuig er uit, en gelijk kwamen die Belgen aanlopen, en vroeger of zij zich bij de koets aan mochten sluiten. Daar konden wij natuurlijk niets op tegen hebben. Onderhand dat die koets werd opgeladen, ben ik op zoek gegaan naar tuig, je kon nooit weten

of wij onderweg nog een paard vinden of bij een of andere boer konden jatten. Dat ging heel makkelijk. Als je iets zag bij een Duitser, in huis, of op het land, het geef niet waar, dan neem je het. Niemand die er wat van zeggen zou, als je het maar van een Mof jatten. Nadat wij eerst geteld waren, marcheerde wij weer af. Als U eens had gezien, die koets, hoog opgeladen, zo dat de veren plat lagen. Twee vlaggen stonden er boven op. De Hollandse driekleur en de Belgische, en dan de drom mensen er

omheen, die het gevaarte in beweging brachten, met stokken en touwen. Wij hadden zo ongeveer een uur gelopen, toen wij tot de ontdekking kwamen, dat wij een van de laatste waren van de colonne, en wij raakte hoe langer hoe meer achter. Het eenigste wat er op zat, wij moesten een paard voor die wagen hebben, zo konden wij het niet lang uit houden. Plotseling zagen wij een wagen op een zijweg staan, met drie paarden er voor. Het waren ook wel vluchtelingen, maar ondanks dat stapte een Belg en mijn pers. er op af om een paard los te

krijgen. Daar aangekomen bleken het Polen te zijn. Nu al hadden die tien paarden gehad, ze hadden er geen een van afgegeven, zij hadden nu het heft in handen. De koets met zijn douw en trekpersoneel, stond natuurlijk met spanning te wachten wat of wij daar klaar maakte. Dat had van die Russen die ons begeleide in de gaten en kwam vragen wat of er aan de hand was. Ja dat was gauw verteld, want een van die Belgen sprak goed Pools. Die Rus stapt gelijk naar die Polen toe. Tien min.later hadden

wij een groot zwaar paard voor die koets lopen. Hij had achter wel geen ijzers, en hij liep wel een beetje kreupel, maar een gekregen paard mag je niet in de bek kijken, hoofdzaak was dat hij ons in Belzig bracht. Spoedig hadden wij nu de colonne ingehaald, want ondanks zijn kreupele poot liep hij stevig door, Veel valt er over de reis niet te schrijven, alleen dat wij door verscheidene geplunderde dorpen gekomen zijn. Uit een van die tientallen woningen haalde Kees en Nol twee eetketeltjes suiker, waar wij die dag en een gedeelte van de

volgende dag van geleefd hebben, anders hadden wij niet te eten. ´s Avonds om zeven uur hielden wij weer in een dorp halt om te overnachten. De andere dag ´s middags om twee uur kwamen wij eindelijk in Belzig aan. Het paard werd gelijk naar de veearts gebracht, het beest kon haast niet meer staan blijven. Als er niks meer van te maken was, dan werd hij geslacht. Spoedig werden wij  o.w.z. alle Hollanders bij elkaar getrommeld. Ten eerste werd ons verteld, dat eergisteren, dus dinsdag acht Mei het Duitse leger

gecapituleerd had, en ten tweede dat wij hier in Belzig verzameld werden voor de terugkeer naar huis. Wij schreeuwde van blijdscahp, en als wij niet zo moe hadden geweest dan hadden wij nog gesprongen ook.

Hoogvliet 17-3-´92

Het is bijna 47 jaar geleden, dat ik dit reisverslag geschreven heb. Wat ik er nog van weet is het volgende. Na enkele dagen gingen wij op ´n open G.M.C. dat waren Amerkiaanse wagens, bestuurd door Russen, over de Rooseveld-

Stalinbrug (pontonbrug) over de Elbe. Daar werden wij opgewacht door de Amerikanen. Die wagens waarmee wij gekomen waren, gingen weer terug met Russen en Polen. Het was ´n soort ruilhandel. Wij waren van ´n hoop zorgen verlosd. Wij kregen goed eten en drinken, m.a.w. wij kwamen van de hel in de hemel. Op ´n gegeven dag, wanneer precies weet ik niet meer, gingen wij in ´n goederentrein naar Nederland. Het was 4 Juni, dat wij

in Maastricht op het station verwelkomt werden, met het spelen van het Wilhelmus, door de plaatselijke fanfare. Ik vergeet nooit wat er dan in je om gaat. Wij werden onder gebracht in ´n klooster. Onze kleding en lichaam werden ontdaan van de luizen, die hadden wij opgelopen tijdens de terugreis. Want je zelf goed wassen, was er niet bij. Na een nacht door gebracht te hebben in het concentratie kamp te Vucht, gingen wij met een personentrein

naar het station D.P. Met de tram naar de Polderlaan, daar woonde wij, De reis had ongeveer 47 a 48 dagen geduurd. Na enkele weken kwam Theo, de 4de die in Wenen te werk was gesteld ook thuis.Een angstige spannende tijd was eindelijk voorbij.

         Wij waren weer kompleet.