Start Pagina // Weblog // Links // Contact    


Alfred Maria Cornelis Seesing


Mijn herinneringen aan Pendrecht

De Woning op Katendrecht was eigenlijk te klein. Ons jongste zusje Lida was intussen geboren en onze ouders wilden uit Katendrecht weg omdat de buurt niet zo geschikt was voor het opvoeden van kinderen.

Na de tweede wereldoorlog heerste er nog steeds woningsnood in Rotterdam. Men besloot daarom een hele nieuwe wijk in Rotterdam te  bouwen: Pendrecht. De wijk werd ontworpen door Mevr. Lotte Stamm-Beese. De trefwoorden waren schaalvergroting en standaardisatie. Het ging niet meer alleen om het bouwen van een woning of rijtje woningen, maar om het opzetten van hele nieuwe woonwijken. Het zijn vaak open wijken met rechthoekige bebouwing in stroken. De naoorlogse geboortegolf maakte dat er veel voor gezinnen gebouwd werd met veel groen en speelplaatsen voor de kinderen. Om te voorkomen dat de bewoners zouden verdrinken in de anonimiteit van grootschalige nieuwbouw werd er ook aandacht besteed aan de sociale omgeving. Binnen de wijk werd gewerkt met kleinere buurten met eigen buurtvoorzieningen waar verschillende soorten bewoners zich thuis zouden voelen. Pendrecht is een grote nieuwbouwwijk waar in totaal 6.300 woningen gebouwd zijn. De wijk was in grote rechthoeken verdeeld die door singels onderbroken werden.

Papendrechtstraat Rotterdam

De Papendrecht- straat, waar wij kwamen te wonen, lag aan de Tiengemetensingel. Karaktiristiek was dat de woningen om een centrale plaats zijn gebouwd. In ons geval was dat een pleintje met speelrekken. Hier kwamen daarom alle kinderen naar toe als het mooi weer was. Zeker toen er nog geen televisie was speelden we vaak hier. Auto´s waren er nog bijna niet en daarom kon je ook tamelijk veilig op straat spelen. De jongens speelden natuurlijk veel voetbal, cowboytje of diefje met verlos.

In de straat waren 2 soorten woningen te vinden. De eensgezinswoningen met bovenverdieping en voor- en achtertuin. In één van deze woningen woonden wij. Dan was er nog een gallerijwoning met beneden en boven woningen waarbij de kamers gelijkvloers waren. Deze woningen hadden op de begane grond een achtertuin. Er waren in de straat 8 garages en de deuren werden nog wel eens als doel gebruikt. De meisjes speelden met poppen en waren aan het touwtje springen of aan het elastieken. Knikkeren deden we allemaal en je kon dus vaak kleine holletjes tegen komen die als potjes werden gebruikt.Papendrechtstraat Rotterdam

Auto´s konden de straat op drie manieren binnen-komen. Via de Melissantstraat, de Tiengemetensingel en de Middelharnisstraat. Verder waren er nog een paar voetpaden die de Papendrechtstraat met andere straten verbond. De straatnamen stammen van plaatsen die tijdens de grote overstroming van 1953 onder water hadden gestaan.

Plein 1953

Het hart van de wijk was (en is) Plein 1953, iedere Pendrechtenaar kwam er. Op de 3 kiosken na staan alle winkelpanden er nog maar het plein zag er vroeger heel anders uit. Het gezelligste stuk vond ik het deel aan de kant van de Slinge. Om één of andere reden lag het plein lager dan de rest van Pendrecht want je ging een paar treden naar beneden.

Rotterdam Plein 1953
Het westelijke deel van het plein was vrij open, met enkele rozenperken en een ijzeren hek langs het water.

Aan de andere kant, voor de Karel de Stouteflat, was een rolschaatsbaan, later zijn er parkeerplaatsen gekomen en nu staat hier de nieuwe Middelburgt.

Welke winkels zaten er toen op Plein 1953? Vanaf de Krabbendijkestraat waren dat o.a. Maison Roda (damesmode), W. van Leer (verlichting), Visser's Speelgoedpaleis en J. Rijnders (dierenwinkel). Daarna linksaf richting Slinge: D. Poppeliers (verf en behang), W.P. de Zeeuw, apotheek Paulssen-Smeets en Roobol (woninginrichting). Aan de kant van de Baarlandhof: de Gruyter (supermarkt), Holba (groenten en fruit), Visser's Warenhuis, Oporto (slijterij), Bos (drogist) en een filiaal van de Spaarbank Rotterdam (op de hoek). Als je hier linksaf ging kwam je nog o.a. langs bakkerij Timmers, B. Philipsen (rijwielen en brommers), dameskapper Modern en Apotheek Roodzant.

Verder waren er nog drie kiosken waar toen resp. Boluja (bloemen en planten), boekhandel J.C. van der Wel en een filiaal van de Hollandse Bank Unie waren gevestigd.

De Dokter

Als huisarts hadden wij J.J.H. Borghouts aan de Tiengemetensingel.Papendrechtstraat Rotterdam Hij was één van de weinige Pendrechtenaren die twee huizen huurde: hij woonde op nummer 48 (het hoekhuis rechts op de foto) en de praktijk was op nummer 46. Via een smalle trap ging je naar boven en dan was links (aan de kant van de singel) de piepkleine wachtkamer met houten banken tegen de muren. Het was overigens dezelfde woning  die wij ook hadden en de wachtkamer was de kleinste kamer. De spreekkamer was aan de achterkant. Dokter Borghouts was een wat stille bebaarde man en de assistente was zijn vrouw. Dokter Borghouts is bijna 32 jaar huisarts in Pendrecht geweest, per 1 januari 1989 heeft hij de praktijk overgedragen aan Annemiek Dekkers die later naar de Sliedrechtstraat is verhuisd.

Buren

Links van ons woonde de familie van Veldhoven. Kees, Frits, Clemens, Marian, Ans, Silvia en Fien heetten de kinderen. We waren ongeveer van dezelfde leeftijd zodat ieder wel iemand had om mee te spelen. Rechts van ons woonde de familie Kradolfer. Er waren 10 kinderen: Bram, Aad, Fred en Cock, 2 meisjes als tweeling Henny en Lenny en nog 1 meisje genaamd Dot. We hadden in het begin heel veel contact met de familie en we kwamen ook bij elkaar over de vloer. Laterm in 1964 zijn ze naar Australie geëmigreerd en we hebben nooit meer iets gehoord. Verder was er nog de familie Luypen met Rini en de familie van Rutten met Jos. Met deze jongens ging ik veel om en we zaten later ook veel bij elkaar te klaverjassen of te dobbelen. Rini had een mooi aquaruim en hij zorgde er voor dat ik me er ook voor ging interesseren. Zijn broers hadden een mooie platenspeler en we luisterden veel naar de Beatles en Moody Blues. Toen ik mijn brommer had gingen we in de zomer nog wel eens naar het strand of naar een haven om te zwemmen.

Het was voor ons kinderen een verschrikkelijk mooie tijd. In de wijk werd nog gebouwd en we konden overal spelen, klimmen, hutten bouwen en ravotten. Met andere buurjongens vermaakten we ons ook uitstekend met cowboytje spelen op de galerijpaden en in de lange keldergangen onder de flats. Dat was meestal spannend omdat deze gangen donker waren. Lang duurde deze pret meestal niet, want de bewoners van de eerste woonlaag moesten niets hebben van de herrie die we veroorzaakten. Het was ook heerlijk spelen tussen de bouwmaterialen, de zandduinen en het vlotje varen op steigerplanken op enorme waterpartijen tussen het zand. Heel wat keer kwamen er bewakers achter ons aan omdat we weer ergens rond liepen te scharrelen. In een kerk die gebouwd werd aan de Sliedrechtstraat heeft er ooit een met stenen naar ons gegooid maar gelukkig niemand van ons geraakt.

Hoewel er direct winkels tegenover waren hadden we toch veel ambulante handel in de straat. Er kwam een melkboer, bakker en groenteman direct naar huis. Het fijnste was altijd de bakker want daar mochten we nog wel eens lekkere dingen kopen en ik denk nog altijd met water in mijn mond over de tompoes na. Een tompoes (ook: tompouce) is een typisch Nederlands gebakje. Het bestaat uit een bovenkant van bladerdeeg, bedekt met (roze) glazuur. Daaronder een dikke laag met vanillebanketbakkersroom en daaronder zit weer een laagje bladerdeeg.

Maar ook een Lorrenboer die oude kleren kocht of de schillenboer die aardappelschillen ophaalde kwamen nog door de straat. En natuurlijk de scharen- en messenslijper die om de zoveel tijd luidruchtig zijn diensten aanbood. Oude kranten haalden we zelf op want daar kregen we nog een beetje geld voor.

Het gele gemotoriseerde ijskarretje van Jamin reed regelmatig de straat binnen. Een puk voor 5 cent, vanille ijsplak 10 cent, met chocolade 15 cent en roomijs met chocolade 25 cent.

Op een dag gingen Sjaak en ik met nog een paar vriendjes wandelen. We liepen naar de treinbaan die een paar honderd meter van ons huis naar de Waalhaven liep. We liepen een beetje te rennen en te vliegen en waarschijnlijk speelden we ook tikkertje. Op een gegeven moment zag ik een stuk verder een hele mooie plas. Ik nam een flinke aanloop want ik wou er met een grote sprong overheen. Jammer genoeg bleek de plas geen plas te zijn maar een moeras. Ik zonk gelijk tot mijn borst weg en de andere jongens moesten mij er uit trekken. Wat zag ik er uit en wat stonk ik! Toen gauw naar huis. De jongens maakten een kringetje en ik liep in het midden van het kringetje, ik schaamde me dood. Thuis aangekomen moest ik natuurlijk aanbellen want zo kon ik het huis niet in. Ma deed open en begon verschrikkelijk te lachen. Ik moet er wel erg vies uit hebben gezien. Ik had me al de hele tijd voorgesteld hoe boos ze wel zou worden en natuurlijk had ik deze reactie niet verwacht. Ik was hierdoor zo van stuk dat ik begon te huilen omdat “andere moeders tenminste boos op hun kinderen zouden zijn” zoals ik zei.

De omgeving van onze straat bestond eigenlijk alleen uit straten. Er waren hier en daar singels en een stukje verderop, aan de rand van de wijk, begonnen de weilanden. Je had Plein 1953, het centrum van de wijk, waar de boodschappen gedaan konden worden. Aan de Oldegaarde had je de kanovijver. De vijver was in feite een gewone sloot waar je in de zomer kon gaan zwemmen. Het was dan altijd een hele drukte. Later had ik, net zo als veel anderen, een seizoenkaart voor het zwembad de “Tramput”. Zwembad de Tramput was officieel gevestigd aan de Reeweg en gelegen in de hoek van de Groenekruisweg en  de Schulpweg. Het was een zwembad met water uit de sloten van de polder Charlois. De kleedhokken bestonden uit een grotere ruimte voor jongens, en de éénpersoonkleedhokjes voor de "heren". Het was inderdaad maar een gewone sloot maar daar stonden we toen inderdaad niet bij stil. In de Tramput stond de hoge duikplank midden in het diepe water. Dat betekende dat alleen als je kon zwemmen je deze duikplank kon bereiken. Ik weet niet hoe vaak ik naar boven en weer naar beneden ben gelopen voordat ik de eerste keer durfde te springen. Ik schat dat de duikplank maar 3 meter hoog was maar als je bovenop stond was dat toch wel erg hoog. Als je dan recht naar beneden sprong bleven je voeten nog wel eens in de koude modder steken. We reden er in de zomer bijna elke avond op de fiets heen als het weer goed was. We kwamen bijna altijd wel jongens van school of uit de straat tegen. Er was ook nog een veldje bij waar je heerlijk in de zon kon liggen.

Aan de Ooltgensplaatweg was nog een singel met een grote grasmat. Op woensdag en zaterdag, maar in de zomer ook na het avondeten, kwamen er van overal jongens, maar ook vaders, om hier een beetje te voetballen. Anderen zaten in de singel te vissen en overal waren kinderen aan het spelen. De buurtbewoners hadden veel contact met elkaar en hielpen elkaar als het nodig was. Het was een fijne tijd. Aan de Ooltgensplaatweg bij de Slinge was toen nog een singel direct voor een flat. De singel moest later voor de metro wijken. In deze singel zat een hele grote goudvis die door iedereen werd “gejaagd”. Pa heeft het gepresteerd deze vis te vangen. Het was een pracht exemplaar en de bewoners van de flat vonden het al jammer want die zagen de vis altijd van boven rondzwemmen. Pa kon ze op hun gemak stellen, de vis werd natuurlijk niet meegenomen maar terug gezet.

De Woning

De woning in de Papendrechtstraat had een keuken, een berghok, één wc, een gang en een woonkamer op de begane grond. Boven was de badkamer een klein halletje en vier slaapkamers. Er was een kleine slaapkamer waar Lida sliep, mijn ouders sliepen in de grote slaapkamer. Hoe de kamers onder ons jongens verdeeld was weet ik niet meer. Heel lang heb ik met Sjaak op één kamer geslapen. Ook wisselde we nog wel eens van slaapkamer. We hebben een tijd lang onze electrische trein in de kleine slaapkamer gehad en later hadden Sjaak en ik de grote kamer ter beschikking. Daar had ik mijn aquariums en radio in een stelling gebouwd. Toen Oma van Oosterhout gestorven was woonde onze Opa bij ons en moesten de kamers weer anders worden verdeeld.

De gang

Papendrechtstraat voortuin.jpg

Links op de foto mijn broer Sjaak en ik bij een bezoek aan de Papendrechtstraat een paar jaar geleden. Rechts aan de muur is nog de bevestiging voor de waslijnen te zien. Waarschijnlijk 46 jaar oud!

De gang begon eigenlijk met de rode deur. Deze deur werd alleen opengemaakt voor vreemden die aanbelden. Alle anderen kwamen door het berghok binnen waar onze fietsen en nog andere spullen ondergebracht waren. Alleen na de kerst kon er niemand door het berghok want dan werd het berghok gebruikt om kerstbomen te verstoppen. Het was bij ons traditie dat, nadat bomen afgetuigd waren, de jongens uit verschillende straten deze gingen verzamelen om ze op 31 december op het pleintje in de straat te verbranden. Dit verzamelen van bomen noemden we “de kerstbomenjacht”. Jongens uit andere straten met wie je bevriend was waren nu ineens de grootste vijanden. We liepen door de wijk en probeerden zoveel mogelijk bomen bij elkaar te krijgen en het kon gebeuren dat, als je een groep andere jonges tegenkwam, je op de vuist ging. De bomen werden overal verstopt en natuurlijk streng bewaakt. We waren er dagenlang mee bezig en niet van de straat weg te houden. Op 31 december werden ze dan aangestoken en alles was weer voorbij. Met jongens uit andere straten was ook weer alles goed en we gingen weer samen voetballen of er niets aan de hand geweest was.

Verder was er nog een deur naar de keuken en natuurlijk de deur van toilet en naar de woonkamer. Ook de kast met de electiciteitsstoppen was in de gang. Het toilet was een hele kleine ruimte zonder raam en zonder ventilatie. Je kan je voorstellen hoe lekker het hier kon ruiken als de hele familie achter elkaar naar de wc moest. Nooit zal ik vergeten dat we het liefst met een stripweekblad op de wc gingen zitten. Het was het enigste plekje waar je echt even rust had. Ook de keuken was een tamelijk kleine ruimte met een ingebouwde kast. De geiser hing er en het gasstel stond er en verder waren er nog wat hangrekjes. Hier was het in de winter natuurlijk ook zeer koud en het was een hele voruitgang toen er eindelijk een gaskachel voor Ma aangeschaft werd waardoor het werken en koken een beetje aangenamer werd.

De huiskamer 

De huiskamer was niet erg groot, ik schat zo´n 24 m². Hier stond een kast, het bankstel en de eethoek. In het begin lagen er sisallopers op de grond. Omdat ze niet direkt tegen elkaar aanlagen en er onder deze lopers zeil lag konden we de tusseruimtes als revieren voor onze lego boten gebruiken. Je kon echter nooit lang met je knieen op de grond zitten want je had snel pijnlijke afdrukken in je knieen.

De woonkamer had een inbouwkast die in feite achter de toilet, die in de gang was, lag. In deze kast was op de grond een luik. Als je door het luik kroop kwam je in de kruipkelder terecht. Ik geloof dat er wat spullen lagen maar ik weet niet meer wat.

Verder werd in deze kast wat speelgoed bewaard en stond er ook een doos met koekjes. Overigens was het ook deze kast waar Sjaak zich huilend verstopt had omdat zijn voetbalclub Feyenoord verloren had. Mijn ouders zijn echt een tijdje bezig geweest om hem te vinden.

De kamer werd regelmatig omgeruimd. Ma vond het heerlijk de meubeltjes steeds weer anders neer te zetten zodat je steeds weer het gevoel had in een andere kamer te komen. Ook de vloerbedekking werd nogal eens vernieuwd.

De kachel speelde zeker in de winter natuurlijk een centrale rol in de woonkamer. De woonkamer was overigens de enigste kamer die in de winter verwarmd kon worden. Het was een zware, zwarte kolenkachel. In het berghok naast de gang was het kolenhok en daar werden de nodige kolen door de kolenman ingegooid. Wat zagen die mannen altijd zwart als ze de kolen kwamen brengen! De kolen moesten dan in de kolenkit worden geschept en de kolenkit stond naast de kachel. Toen we een beetje groter waren moesten ook wij kolen uit het berghok halen. En wat als de kolen in het midden reeds weggeschept waren? Dan moest je van bovenaf de kolen weer naar het gat toe schuiven. Wat een gedoe.

Er moesten altijd houtjes in huis zijn want de kachel moest met hout en papier aangemaakt worden. ´s Nachts ging hij bijna altijd uit en Pa of Ma moesten de kachel ´s morgens eerst weer aansteken. In de ochtend eerst kijken of de kachel weer wilde branden. De pook op het rooster en schudden maar. Lukte het niet dan moest er weer kranten en hout in. De brand erin en voorzichtig wat kolen erop. Voor het weer warm was duurde het een uur. De asla werd voor de deur uitgestrooid tegen de gladheid. De grootste sintels in de vuilnisbak.

Wat was het altijd gezellig om op koude winteravonden voor de kachel te zitten en in het vuur te staren. Natuurlijk maakten wij als kinderen de kachel ook wel eens open en gooiden daar papier of andere dingen in. Het was spannend om te zien hoe snel iets verbrandde.

Als kleine kinderen gingen we maar één keer per week in bad. En omdat het natuurlijk in de winter in de badkamer veel te koud was werden we in een teil voor de kachel in de woonkamer gewassen. De teil werd volgegooid met warm water uit de keuken en we werden op zijn beurt gewassen. Heerlijk zo dicht bij de kachel.

Ma bakte voor oud en nieuw altijd oliebollen. Daar het deeg natuurlijk moest rijzen werden de emmers met deeg voor de kachel neergezet. Er kwam een theedoek overheen en dan maar wachten. Na ongeveer 30 minuten was het deeg klaar. Je mocht in geen geval de theedoek oplichten want dan liep je het gevaar dat het deeg in elkaar zakte. Ma heeft de emmer wel eens te dicht voor de kachel gezet. Daardoor brandde er een gat in de emmer en al het deeg liep over de grond.

Ook gebruikten we de kachel om onze knutselwerkjes op ze zetten. We knipten een spriraal uit papier en deden die op een breinaald. De breinaald zetten we op de kachel waardoor de spiraal door de opstijgende warmte ging draaien.Papendrechtstraat Rotterdam

Na een aantal jaren werd de schoorsteen met natuursteen opgewaardeerd.

Rechts op de foto mijn opa Janus van Oosterhout (1899) die enkele jaren bij ons ingewoond heeft. Hij zit naast de schoorsteen met natuursteen. Zo te zien hadden we al een gaskachel.


Later kwam de gaskachel en de steenkolen waren niet meer nodig. De gaskachel had een thermostaat en de kamer was nu altijd lekker warm met een constante temperatuur. Natuurlijk was de kachel niet zo romantisch maar betekende natuurlijk voor mijn ouders een enorme vooruitgang. Geen gesleep met kolen meer en geen kolenstof meer in het berghok.

De kamer had een deur naar de tuin in en die stond in de zomer natuurlijk open. Het zonnetje scheen dan vaak lekker de kamer in. Pa en Ma hadden besloten in de woonkamer luxaflex op te hangen. Op een avond was Pa er mee bezig. Wij kinderen hadden echter geen zin om hem te helpen en zaten allemaal naar de televisie te kijken. Op gegeven moment viel bij de montage de luxaflex op de grond en Pa begon verschrikkelijk te schelden. “Jullie zitten televisie te kijken terwijl ik hier alles alleen moet doen” zei hij. In ieder geval moest de televisie gelijk uit en moesten we helpen. 

In deze kamer werd er door Pa, en later door ons ook, biljart gespeeld. Pa had zo´n klein biljart (een beetje groter als een tafel) die boven stond. Eens per week kwamen er wat bekenden of collega´s biljarten. Er werd dan een lekkere borrel gedronken en ze hadden het allemaal naar hun zin. Toen wij wat groter waren mochten we ook mee biljarten of met onze vrienden biljarten. 

Sjaak was een grote melkdrinker. Ik weet niet hoeveel hij per dag dronk maar ik weet nog wel dat hij steeds aan de koelkast stond om melk te drinken. Het probleem was dat Ma zijn consumptie niet goed in kon schatten en de melk bijna steeds op was. Op de vraag van Ma wie er zoveel melk dronk vertelde Sjaak natuurlijk niet dat hij de meeste melk dronk zodat ik ook verdacht raakte hoewel ik zei dat ik bijna geen melk dronk. Ik besloot daarom een alarminstallatie te bouwen. Ik legde een zwakstroomdraadje, waar een lampje en een batterij aan zat, naar de keuken. Onder de koelkast maakte ik een contact. Als de koelkastdeur geopend werd ging er een lampje in de kamer branden en zou ik aan kunnen tonen dat ik onschuldig was. Het duurde dus ook niet lang. Na een korte tijd ging Sjaak de kamer uit en ging het lampje in de kamer branden. Opgewonden vertelde ik Ma dat ze snel naar de keuken moest lopen om Sjaak op heterdaad te betrappen. Ze deed het ook en ik was daarna vrij van schuld!

Vooral in de winteravonden zaten we veel in de huiskamer. Buiten was het koud en donker en in de kamer was het lekker warm. Aan tafel deden we veel spelletjes met elkaar voordat we naar bed gingen. Ook na school zaten wij kinderen in de winter veel in de kamer met elkaar te spelen. Met de kerst maakte Ma altijd een prachtige kerststal in de hoek naast de schoorsteen. We hadden prachtige beelden die tamelijk groot waren. Ik geloof dat de kameel zeker 30cm groot was! Ma nam grotpapier en maakte een mooie grot waar dan het Jezus kindje, Josef en Maria en de dieren in werden gezet. De kerstboom werd ook in de kamer neergezet en door Ma prachtig met engelenhaar versierd. Ma trok dit haar heel voorzichtig uit elkaar en drapeerde het kompleet over de boom. 

Papendrechtstraat Rotterdam

Links op de foto mijn moeder Adriana Johanna Seesing - van Oosterhout. Ze zit voor een glas element met daarnaast de deur naar de gang. Links achter in de hoek de woonkamer-inbouw- kast.

Naast de deur van de kamer was een element met een ruit erin. Doordoor viel er tenminste nog een beetje licht in de gang. In het begin was deze ruit oninteressant maar later kreeg hij een bijzondere functie. Door deze ruit konden we een tijd lang de televisie zien. Voor een kleine jongen is er niets wat meer aantrekkingskracht uitoefende als een televisie programma of film die je niet mocht zien omdat je te jong was. Als we naar bed moesten bleef ons nog de mogelijkheid door dit raam naar de televisie te kijken. Natuurlijk was het niet zonder risico. Ieder ogenblik tijdens het programma konden Pa of Ma op staan om naar het toilet of de keuken te gaan. Je moest dan bliksemsnel reageren en de trap weer op zijn voordat ze wat in de gaten hadden of je moest zelf op dat moment net doen alsof je naar het toilet moest. Naar mijn weten hebben ze ons nooit betrapt en hebben wij nog wel eens spannende dingen gezien.

Radio

Of we in de Tolhuisstraat een radio hadden weet ik niet meer maar ik kan me nog de distributieradio in Pendrecht herinneren. De knop om de zenders te kiezen (ik geloof dat we maar 4 zenders ontvingen) was in de kast. De luidspreker hing in de kamer boven de kastdeur. Deze radio werd ter beschikking gesteld en zover ik weet had iedereen er één in Pendrecht. Op een zondag, ik was nog klein, luisterde ik naar deze radio. Het was een muziekprogramma. Mijn moeder kwam de kamer binnen liep de kast in en zette de radio af. En dat vond ik heel vreemd. Nu moesten die mensen allemaal naar huis omdat mijn moeder geen muziek meer wilde horen.

Later kregen we een radio, of was het al de radiocombinatie met platenspeler, met van die dikke ivooren knoppen. We hebben heel wat uurtjes voor deze radio doorgebracht. Die radio had nog zo´n oog en dat oog had iets facinerend. Heeeeeel langzaam  doofde dat, steeds smaller, smaller, smaller tot ie eindelijk uit was. Wat me ook boeide indertijd waren de namen van de stations op de frequentieschaal. Namen als Stavanger, Reijkjavik, Malmo, Warschau, Moskou, onbereikbare verten. In gedachten de hele wereld over. En dan dat hoge gejank tussen de stations door, waardoor je altijd de neiging had snel een zender op te zoeken. Hilversum I, II en III ze stonden er allemaal met naam op. Hoorspellen waren er toen veel, er waren bijna geen kinderprogramma´s, en we zaten allemaal voor de radio. Later luisterden we natuurlijk naar radio Veronica de eerste commerciële zender in Nederland. Veronica was een schip dat op de Noordzee lag en in 1960 met zijn uitzendingen begon. Bij de jeugd was het schip ontzettend populair omdat het de hele dag pop muziek uitzond en de top 40 in het leven riep.

In de radiokast hadden we ook een platenspeler. Op een dag wilde ik een plaat opleggen en ik kreeg een stroomstoot. Hevig geschrokken natuurlijk vertelde ik Sjaak dat ik een stroomstoot had gekregen Daarop liep Sjaak naar de platenspeler en probeerde het ook. Tot mijn verbazing gebeurde er bij hem niets. Toen probeerde ik het natuurlijk nog een keer en ik sprong weer op want ik kreeg weer een stroomstoot. Sjaak moest erg lachen en legde ook zijn vinger weer op de grammafoon en er gebeurde weer niets. Toen nam Sjaak mijn hand en probeerde met geweld mijn vingers op de platenspeler te leggen. Natuurlijk was ik door mijn angst veel sterker en hij kreeg het niet voor elkaar. Toen keek ik naar Sjaak zijn voeten en zag dat Sjaak pantoffels aan had met dikke rubber zolen. Nadat ik hem gezegd had dat hij die maar eens uit moest trekken om het dan nog eens te proberen was ik heel voldaan toen ik het resultaat beleefde: Sjaak schrok ontzettend toen hij het apparaat aanpakte, hij kreeg een stroomstoot.

De bovenverdieping

Boven waren er vier verschillende slaapkamers waarvan één slaapkamer nog een vaste wastafel had. In deze kamer sliep Opa later toen hij, na de dood van Oma, bij ons in huis kwam wonen. In tegenstelling tot de slaapkamers valt er eigenlijk alleen nog wat over de badkamer te vertellen. Deze badkamer fungeerde  als centrale ruimte in onze kleine woning. Hier werd de was gedaan en hier gingen we, toen we groter waren, altijd in bad. Deze badkamer had een lavet wat voor die tijd tamelijk veel luxe betekende. Vaak gebruikten we de lavet als zee voor onze zelfgemaakte bootjes. We hebben toen heel wat liters waters verbruikt tijdens het spelen in de badkamer.

Mijn moeder stond ´s maandags al om 4 uur op om de was te gaan doen. De vrouwen deden allemaal op maandag de was. Op zondagavond werd er al een ketel water opgezet voor de was. Deze ketel stond op een petroleumstelletje in de badkamer. Het hete water werd in de bak gegooid. In het midden van de metalen bak zat een kruisvormige pion die heen en weer draaide en de was en het water in beweging hield. Eerst werd alles gewassen en daarna werd het goed er stuk voor stuk weer uitgevist. Daarna werd de was twee keer gespoeld en in het spoelwater zat een "zakje blauw". Dan werd de was door de wringer gehaald. Als kind zijnde mochten we ook wel eens draaien aan de wringer, wat soms ontzettend stroef ging.

Daarna werd er schoon water in de kuip gegoten en werd vervolgens alles gespoeld om daarna nogmaals door de wringer gehaald te worden. Daarna werd de was in zomer in de voortuin en in de winter op het halletje opgehangen.

Deze maandagen waren voor mij verschrikkelijke dagen. Ik zal het nooit vergeten. Je moet je het volgende voorstellen: Het is winter en erg koud. Het is maandagmorgen 7 uur en je wordt wakker gemaakt. Het weekend is voorbij en je moet weer naar school. De slaapkamers waren niet verwarmd en je lag heel diep onder je dekens te slapen. De vriesbloemen staan op de ramen en het is erg donker. Je wordt langzaam wakker en je hoort een wasmachine die een eentonig geluid maakt, broem, broem, broem, broem. Er hangt zo´n vochtige lucht in de kamers. Als je langzaam je ogen openmaakt zie je overal al wasgoed hangen en als je opstaat moet je in het halletje om het wasgoed heen lopen. De nieuwe week begint verschrikkelijk!

Zaterdag moesten we allemaal in bad. Ma kwam op het idee in de winter een grote ketel neer te zetten die voor lekker heet water ging zorgen, het hete water uit de geiser in de keuken was tamelijk duur. Fijn was natuurlijk dat daardoor de badkamer lekker warm was. We moesten nu ook weer op onze beurt de badkamer in en werden we door onze moeder gewassen. Belangrijk was dat je heel snel de badkamer in ging en de handdoek snel weer voor de deur neerlegde zodat er bijna geen warme lucht de badkamer kon verlaten.

Het halletje

Op het halletje kwamen alle deuren boven uit. Om nog meer bergruimte te hebben heeft Pa een vlonder boven het trapgat gemaakt. Hij verlaagde in feite het plafond om 50 cm boven het trapgat. Hierdoor ontstond een ruimte van een paar viekante meter waar weer kisten en andere spullen opgezet konden worden. Het was een leuke ruimte om in te spelen of je er in te verstoppen. We stapten van een stoel op het hekje en vanaf het hekje trokken we ons op. Gelukkig is er nooit iets gebeurd want als je gevallen zou zijn zou had je in het trapgat kunnen vallen. Ik weet nog wel dat ik met Lida regelmatig boven op het vlonder zat met kaarsjes speelden die we aanstaken. Brandgevaar? Hoezo brandgevaar?

De trap die naar boven leidde had een loper die met messing staven vast werd gehouden. Daar Sjaak en ik  nog wel eens tekeer gingen in onze slaapkamer en Ma en Pa ook nog wel eens met een mattenklopper naar boven kwamen moest ik er iets op verzinnen. Ik maakte van mijn mecano een schakelaar en die legde ik onder  de mat voor de trap.Een electriciteitsdraadje onder de loper kwam in onze kamer uit. Als nu iemand onder aan de trap op de mat stapte ging bij ons in de kamer een lichtje branden en wij werden gewaarschuwd dat iemand naar boven kwam. Het verbaasde onze ouders wel dat het steeds ineens rustig werd als ze naar boven kwamen. Hoe lang het gegaan is met het lampje weet ik niet meer.

Onze slaapkamer

Voor zover ik me kan herinneren hebben Sjaak en ik altijd bij elkaar geslapen. Jarenlang hadden we een kooienbed (Sjaak boven, ik beneden). Later op de grote kamer hadden we onderschuifbedden waardoor we een beetje meer plaats hadden. Zelfs in Alblasserdam hebben we nog samen op één kamer geslapen. Sjaak was daar echter alleen in het weekend thuis omdat hij in militaire dienst was.

In was misschien 8 jaar oud en Sjaak 10 jaar. Op een dag kwamen we op het idee om over de zonnescherm afdekking van de ene naar de ander kamer te lopen. Je moet je dat zo voorstellen: boven de woonkamer in de tuin hing het zonnenscherm. Om te voorkomen dat hij nat en vies zou worden was er een houten afdekking van ongeveer 30 cm breed gemaakt. Deze afdekking liep over bijna de hele breedte van het huis. Het was mogelijk uit een raam te klimmen en op de afdekking te gaan staan. Als je je dan aan het kozijn vast hield kon je zo naar de andere kamer lopen en daar via het raam de kamer weer in. Wat we zoal verzonnen! Gelukkig is er nooit wat gebeurd. 

Aan de muren hingen we vaak posters op. Ook hebben we een lange tijd zachtbord aan de muur gehad waar we onze sleutelringen aan op konden hangen. Er was ook ineens een nieuwe rage: een visnet aan het plafond. Ook wij hadden het op onze kamer met nepvissen in het net.

 
Het boekenrek op onze kamer was erg beroemd en was van Tomado. De planken en de staanders aan de muur waren van metaal. De planken waren in allerlei kleuren te koop, de staanders waar de planken in geplaatst werden waren zwart van kleur. Het handige van dit Tomado boekenrek was de mogelijkheid om de gekleurde metalen planken op verschillende hoogten te plaatsen. We hadden onze eigen spulletjes op de plankjes staan en ik geloof dat we de plankjes in elke slaapkamer hadden.

Later in grote kamer hadden we een grote stelling. Hier had ik drie Aquariums ingericht. Een groot aquarium, wat voor de sier was, met veel vissen erin. In de twee andere was ik een beetje aan het kweken. Twee verhalen zijn de moeite waard te vertellen.

Ik was trots op mijn grote aquarium omdat het biologisch evenwicht goed ingesteld was. Ik hoefde er eigenlijk alleen maar voor te zorgen dat er genoeg water in zat, de rest ging vanzelf. Ik zou op vakantie gaan en had tegen Sjaak gezegd dat hij er elke 2 dagen een beetje water bij moest doen. Hij beloofde het en ik ging op vakantie. Toen ik na 3 weken terug kwam zag het aquarium er verschrikkelijk uit. Een groot gedeelte van het water was verdampt en er zat veel te weinig water in. Daardoor hadden zich algen ontwikkeld. Ik ben dagenlang erg boos op Sjaak geweest.

Er was een Black Molley zwanger. Ik had de vis geisoleerd en in een extra bakje gedaan. Ma was op de hoogte en omdat ze het leuk vond zat ze regelmatig voor het aquarium te kijken. Op geven moment riep ze naar beneden dat we heel snel naar boven moesten komen omdat de babyvisjes op de wereld kwamen. Toen we allemaal boven waren moest ik ze echter teleurstellen: de vis was niet aan het bevallen maar was aan het poepen.

In de grote slaapkamer hadden we ook mijn stereoinstallatie, een bureau en een schrijfmachine. We zaten inmiddels op de lagere Detailhandelsschool en we moesten toch veel leren. Ik kan me nog die koude avonden herinneren terwijl ik boven zat. Omdat er geen verwarming was zat ik af en toe te bibberen van de kou. Als je geluk had mocht je het straalkacheltje mee naar boven nemen maar we mochten hoogstens 1 spiraal aan omdat het apparaat natuurliijk stroom vrat. Toch probeerde ik regelmatig alle drie de spiralen aan te zetten want mijn vingers vielen er bijna vanaf.


Ma maakte door de weeks altijd onze bedden op. Alleen ´s zondags moesten we dat zelf doen. We moesten dan om 10 uur beneden zijn. Over het bed kwam een sprei die Ma alltijd zelf naaide. In de loop van de jaren zijn er verschillende modellen op ons bed geweest en het was niet altijd makkelijk het sprei netjes over het bed te krijgen.

 

De achtertuin 

Papendrechtstraat achtertuin

Links de vijver in de achtertuin.

De tuin was Pa zijn trots. Hij hield van tuinieren en hij stak daarom veel tijd in de tuin. Op de foto uit 2004 is de tuin helemaal verwilderd en de prachtige vijver is er niet meer. Nog zie ik mijn vader met een bekende de put in de tuin graven. De zijkanten werden helemaal van cement gemaakt en er was een overloopje waar het water wat te veel was weg kon lopen. Een gedeelte van de vijver had een koepel die helemaal met planten begroeid was. Er leefden nogal wat goudvissen in de vijver en natuurlijk waren er ook nog wel eens kikkers. Eenden die de fout maakte in de vijver te landen werden natuurlijk door alle familieleden weggejaagd. Omdat de tuin zo netjes was mochten wij er natuurlijk niet of nauwelijks spelen. Er was wel een grasmat maar die mochten we eigenlijk niet betreden. `s Zomers werden de kamerdeuren open gedaan en konden we allemaal buiten op het terras zitten. De tuin was ingezoomd met heggen die natuurlijk regelmatig geknipt moesten worden. Dat werd allemaal met de hand met een heggeschaar door mijn vader gedaan.

Ik kan me eigenlijk maar aan één situatie herinneren dat we echt gelachen hebben in de tuin. Het was zomer en er lag een tuinslang in de tuin. Mijn moeder pakte deze slang en hield hem in de broek van mijn vader die hiervan niets merkte. Iemand draaide de kraan aan en het koude water spoot in de broek van mijn vader. Dit was het begin van een watergevecht die enige tijd ging duren. We waren allemaal kletsnat want we hadden allemaal nog onze kleren aan.

 

De voortuin

Papendrechtstraat voortuin

Op de foto rechts een klein gedeelte van de voortuin. Je kunt nog net zien dat bij de buren een zeilboot werd gebouwd. 

Zichtbare winkels van links: bakker Maaskant, dameskapper Boender, grutter de Melker.

De voortuin bestond uit een paadje naar het huis. Rechts was de waspaal waar Ma in de zomer de was op hing. Verder was er een beetje grond en waren er een paar planten, niets bijzonders dus. Toen we klein waren speelden we nog wel eens in de voortuin. Ik weet nog dat we ´s winters een iglo van sneeuw in de voortuin hebben gebouwd toen er eens veel sneeuw lag. Later werden de brommers hier neergezet. In het portiek stond de vuilnisbak en er stond ook een bank waar je op kon gaan zitten. Ik heb ooit wel eens witte muizen gehad die in een kooi op deze bank mochten staan.

 
Het paadje

Het paadje tussen de huizen was een heel belangrijk paadje. Vanuit de woning naar rechts kwam je in de Sliedrechtstraat waar alle winkels waren. Als je naar links ging kwam je in de Papendrechstraat terecht waar ook het pleintje was waar we konden spelen. Ook op het paadje zelf werd gespeeld. Touwtje springen, elastiek springen en ook knikkeren deden we op het paadje. Overal bij de heg kwam je putjes tegen die eigenlijk knikkerputjes waren. In het begin was het paadje nog erg kaal maar in de loop van de tijd groeiden de heggen aan de tuinen en werden de bomen in de tuinen ook wat groter. Direct voor ons huis stond een lantaarnpaal die in de winter welkom was omdat we daardoor altijd lekker licht aan het paadje hadden.

 
De Sliedrechtstraat 

De Sliedrechtstraat was tamelijk lang en lag direkt aan ons paadje in de Papendrechtstraat. De straat verbond Zuidwijk met de Groene Kruisweg en was net als de Slinge een doorlopende straat. Tegenover ons huis waren 2 maal 5 winkels. Een stukje verder, richting Groene Kruisweg, waren nog eens 2 maal 5 winkels. Deze winkels hadden zeker in het begin een belangrijke opgave, ze voorzagen de bewoners van dagelijkse behoeften zodat niemand ver hoefde te lopen.

 
SliedrechtstraatIn de twee blokken tussen de Wagenbergstraat en Geertruidenbergstraat, afgebeeld op de foto, zaten destijds: Luxaflex (nr. 22), sigarenmagazijn Theo van Aalst (nr. 24), levensmiddelen Piet van den Bosch (nr. 26), groenteboer Rob Koster (nr. 28), bloemist Hilberding (nr. 30), bakker J. Maaskant (nr. 32), dameskapper A. Boender (nr. 34), levensmiddelen van W.J. de Melker (nr. 36), slager Hennie Bos (nr. 38) en drogist Hartendorp (nr. 40, later J.J.E. Beemsterboer).

Tussen de Geertruidenbergstraat en de Dinteloordstraat zijn nog twee winkelblokken. Daar zaten toen de boekhandel van W. Baard (nr. 46), juwelier S. Slotboom (nr. 48), Pendrechts Textielhuis (nr. 50), Radio Groen (nr. 52), groenteboer A.P. van Gelder (nr. 54), herenkapper C.K. Zoeteweij (nr. 56), levensmiddelen van D. Kapteyn (nr. 58), paardenslager L. van Markensteijn (nr. 60), sigarenhandel van M. Kats (nr. 62) en de Polikliniek Pendrecht (nr. 64).

Ik kon me niet meer aan al deze winkels herinneren maar op de website van Mario Bosch http://www.mario-bosch.nl was het na te lezen.

Zeker toen ik met electriciteit ging experimenteren had ik regelmatig stoppen nodig. Bij deze winkel kocht ik ook mijn eerste transistor radiootje. Wat was ik trots. Het geld had ik geloof ik met bonen plukken verdient en het moest 19,95 gulden kosten. Dagenlang stond ik voor de etalage te kijken voordat ik het apparaatje eindelijk kon kopen. Het was zo´n kleine rood/oranje apparaatjeen het betekende voor mij onafhankelijkheid. Ik kon nu zelf die muziek luisteren die ik wilde horen zonder dat ik van anderen afhankelijk was.

Slagerij Bos speelde voor ons een belangrijke rol. Aad begon bij de slager als knecht. Sjaak nam het later over en ik nam het weer van Sjaak over. Ik was toen 14 jaar. Ik heb er tot aan het eind van de middelbare detailhandelsschool in 1973 mijn zakgeld verdient. Onze taak begon op vrijdagmiddag. We brachten vlees en vleeswaren naar klanten die de bestellingen telefonisch doorgegeven hadden. De volgende dag gingen we daarmee verder tot in de middag. ´s Middags begonnen we met schoonmaken. Ma kwam er dan ook nog bij en óm ongeveer 5 uur waren we allemaal klaar. Ik kreeg mijn geld en het weekend kon beginnen. Dit geld stelde mij in staat bepaalde wensen te bevredigen. Mijn Kreidler en later mijn sony bandrecorder heb ik van dit geld gekocht.

Ook was ik regelmatig auto´aan het wassen en ook de andere winkeliers wilden hun auto wel door mij laten wassen. Dit betekende wel dat ik praktisch het hele jaar elke vrijdag en zaterdag heb gewerkt afgezien van die paar weken waar Hennie Bos zelf op vakantie was. Zeker in het begin viel het niet altijd mee. In de winter moest ik, weer of geen weer, op de fiets naar de klanten. Later kon ik het gelukkig allemaal op mijn Kreidler doen. Nooit zal ik vergeten dat ik, toen ik nog geen brommer had en nog geen 16 was, de Solex van opa heb gepikt. Ik moest naar een klant die ver weg woonde en ik had geen zin om te gaan fietsen. Opa woonde al bij ons en Opa had een Solex. Die stond voor de deur dus heb ik hem stiekum meegenomen. Op weg naar de klant was er veel mist en het fietspad was ergens afgezet. Omdat ik bijna niets kon zien reed ik met de Solex tegen het hek en viel in het zand. Gelukkig is er niets gebeurd en de Solex was nog heel. Ik denk dat ik echte problemen gekregen zou hebben als de Solex kapot geweest zou zijn.

Hennie Bos verzorgde met de kerst ook kerstpaketten. Kerstpaketten werden vaak door firma´s aan klanten cadeau gedaan. Hier zat dan een fles wijn, een stuk kaas, worst en andere lekkere dingen in. Die paketten moesten natuurlijk samengesteld en verpakt worden. Ook hier verdienden we er weer een beetje geld bij. Ook smeerden we broodjes voor een voetbaltournooi. Uren hebben we doorgebracht in de kelder van Hennie Bos.

De winkeliers waren een hechte groep. Zeker in het begin was het belangrijk dat ze gezamelijk optraden en probeerden de klanten in de straat te houden. Er werd regelmatig geadverteerd en Sjaak en ik hebben heel wat folders in de wijk verspreid. Op koningendag hebben we nog eens samen gevoetbald, waarschijnlijk tegen een andere voetbalvereniging of winkeliersclub. Ik mocht ook nog wel eens aan andere wedstrijden deelnemen maar ik was een slechte voetballer dus was ik iemand die alleen werd gevraagd als er niemand anders meer tijd had.

Sliedrechtstraat

Mijn vader Cor Seesing wast zijn Opel Rekord aan de Sliedrechstraat. Op de achtergrond de achterkant van de woningen aan de Geertruidnbergstraat.

Aan de Sliedrechtstraat werden ook de auto´s geparkeerd. Pa zijn Vauxhall en zijn Opels stonden er voordat hij de garage in de Papendrechtstraat huurde. Wat leefden wij met Pa mee toen hij rijlessen nam en examen moest doen. Wat zat hij in de put toen hij de eerste keer zakte en wat hadden wij een medelijden met hem. De auto was toen al gekocht en stond al voor de deur, dat maakte het natuurlijk nog moeilijker. Het was een groene Vauxhall Velox. Ik wist dat Pa een auto ging kopen en we waren natuurlijk heel nieuwsgierig hoe die auto er uit zou zien. We konden toen met automerken nog niet zo veel beginnen. Ik zie hem nog de straat in komen. We waren op het pleintje aan het spelen toen deze voor mij lelijke en vieze auto de hoek om kwam (hij zat onder het stof). Wat was ik teleurgesteld! Daar kwam nog bij dat ik later bijna elke week op die fiets naar de dealer moest in de Waalhaven om reserve onderdelen te kopen. Pa wilde de auto nog een beetje opknappen en ik moest elke keer rijden. Nee dat had ik me anders voorgesteld!

Deze auto zorgde er ook voor dat mijn vader buiten het boekje ging terwijl wij erbij zaten. Pa had nog geen rijbewijs en we wilden naar Oma van Oosterhout. Hij besloot de auto te nemen en wij mochten mee. Het ging allemaal goed totdat we in de buurt van de Christiaan de Wetstraat (ik geloof het was op de Putselaan) een politieauto tegenkwamen. De auto kwam naast ons staan en de agent keek zo eens bij ons binnen. Ik hoor mijn vader nog snauwen dat we in een boekje moesten lezen en niet naar boven mochten kijken. Later toen we bij Oma waren had hij toch geen rust meer en we zijn snel weer naar huis gereden. Gelukkig ist alles goed gegaan.

Ook Aad zijn Fiat 600 stond hier. Aad was erg trots op zijn blauwe Fiat 600. Ik weet nog dat ik erg jaloers was. Het was lekker makkelijk overal heen te rijden. De auto´s hadden toendertjd een heel aparte geur, meestal roken ze naar olie en benzine. Dat gaf een gevoel van vrijheid. Het was voor ons altijd iets bijzonders in een auto mee te mogen rijden. 

Toen we allemaal zelf een rijbewijs hadden mochten we de auto van Pa nooit lenen. Geen mens mocht er in zijn auto´s rijden en daarom peinsden we er niet over hem te vragen. Aly en Frans hadden een DAF die ik wel eens mocht hebben en later mocht ik nog wel eens in Sjaak zijn auto´s rijden. Zelf heb ik in Nederland nooit een auto gehad. Ik had er het geld niet voor en omdat Frans Veelenturf een auto had moest ik er ook om voor op vakantie te gaan geen auto hebben.
 
De weg naar school

Vanuit de Papendrechtstraat liepen we langs de Tiengemetensingel voorbij aan dokter Borghouts, daarna meestal door de Baarlandhof. De Slinge over en we waren bij school. De Tiengemetensingel was voor ons kinderen een heel belangrijke singel. In de zomer gingen we er vissen en vlotje varen. In de winter konden we er op schaatsen en als het ijs nog niet zo dik was of als het dooide “schotsje wippen” of “ijssiepiepen”.

,,IJssiepiepen gebeurde op een jonge ijslaag, te dun om gewoon over te lopen of te schaatsen. Voorzichtig proberen of 'het hield' en dan een run naar de overkant, met het risico een zeikerd (water in de laars/schoen) te halen. IJssiebrauwen gebeurde wanneer het ijs 'hield'; er werd vaak al geschaatst. Het ging er om het ijs door hard stampend te lopen (soms met een groep) te Tiengemetensingelbreken. Het scheurde en kraakte en het ging er om wie als laatste nog een tocht naar de overkant durfde te wagen. Met ijssiebrauwen werd heel wat schaatsijs kapot gemaakt, dus bij schaatsters was het niet populair. 

Links de Tiengemetensingel met op de achtergrond de flat op Plein 1953. Op dit water werd geschaatst en gespeeld. Heel wat uurtjes heb ik met een hengel aan het water gestaan.

Schotsiespringen gebeurde wanneer de dooi was ingevallen. Dit was verreweg het linkste spelletje. Men sprong van schots naar schots en bereikte zodoende (meestal) de overkant. Hierbij liepen zoveel mogelijk kinderen tegelijk van de ene naar de andere kant over de schotsen. Het spel stopte meestal wanneer er ééntje in het water was gevallen.''

Niet ongevaarlijk natuurlijk want hoe dunner of kapotter het ijs hoe groter het gevaar dat je in het water viel. Het is een paar keer gebeurd dat ik in het water ben gevallen en ik heel hard naar huis moest lopen. Het water was immers ijskoud en te lang wachten zou zeker tenminste een flinke verkoudhoud hebben betekent.

Gelukkig is er bij ons, zo ver ik weet, nooit iets ernstigs gebeurd.

Natuurlijk was ik als jongen hier vaak aan het vissen. De singel was vlak bij en er zat in de loop van de tijd toch wel wat vis in. Later kwam ik vaak aan de singel om watervlooien voor mijn vissen in het aquarium te vangen. Heel erg spannend het gedrag van de vissen in het aquarium te bekijken terwijl ze op jacht naar de watervlooien zijn.

BaarlandhofIn de Baarlandhof was de achterdeur van een bakkerij. Deze bakker bakte niet alleen brood maar ook veel koekjes. Vaak liepen we van school naar de achterdeur om naar koekkruimels te vragen. Dat waren dan niet van die kleine kruimeltjes, maar gebroken koekjes, die niet meer verkocht konden worden. Als we dan een handjevol kregen waren we ontzettend trots en genoten de heerlijke smaak van koekjes. Overigens kon je koekkruimels ook kopen. Voor een stuiver ( 5 nl cent, 2,7 Euro Cent) kreeg je een puntzak vol. Het gebeurde dat we ons zakgeld in koekkruimels investeerden.

Rechts op de foto het Baarllandhof. Aan een van de achterdeuren kregen we de koekkruimels. Verder is op de foto de Bavokerk te zien en natuurlijk de O.L.V.v.L. school (Onze Lieve Vrouw van Lourdes School).

Vaak liepen we ook over Plein 1953 naar huis. Het was een groot plein met heel veel winkels. Voor ons waren waarschijnlijk alleen de etalages met speelgoed interessant. De Gruyter was een grote grutter waar Ma meestal haar boodschappen haalde. Vaak gingen we mee om haar te helpen vooral ook omdat we eigenlijk altijd wel wat kregen. Hierbij schiet mij natuurlijk het “Snoepje van de Week” te binnen. Elke week een andere verassing voor de kinderen. Als je mee ging had je de kans je “snoepje” zelf uit te zoeken.

Als klantenbinder gaf de Gruyter elke week een klein cadeautje weg voor kinderen - het Snoepje van de week. Een langdurige actie hierbij was de wekelijkse uitgave van kartonnen bouwplaten van huizen en gebouwen (op te vullen met lege luciferdoosjes) om zo een compleet dorp op H0 schaal te bouwen, passend bij de modeltrein die in de jaren '60 populair waren. En een trein hadden wij natuurlijk ook. Het moeilijkste was geloof ik altijd genoeg lege luciferdoosjes bij elkaar te krijgen.

Je had ook een boekenwinkel op het plein. Hier heb ik ooit mijn eerste Suske en Wiske gekocht. In weet nog welk verhaal: Suske en Wiske en de Texas Rangers. Het was een heel bezit zo´n comic boek. Tegenover de oversteekplaats van de school was ook een winkel van Jamin. Jamin had veel snoepwinkels en in deze winkel werd natuurlijk het nodige zakgeld uitgegeven.

Aan de Slinge was er ook nog de patatwinkel. Wat hebben wij daar vaak een patatje of een kroket gehaald. Deze patatzaak had ook van die klapdeurtjes waarachter kroketten, bitterballen, loempia´s en andere lekkere dingen warm werden gehouden. Dat betekende dat je voor een kwartje bijna dag en nacht iets te eten kon halen. Dat gezicht van de verkoper heb ik nog steeds voor mijn geest. 

Slinge

Links de oversteekplaats., aan de Slinge,  naar school. In de zesde klas was ik hier "klaarover".

Aan het Plein 1953 stond en staat ook een groot flatgebouw het Karel de Stoute flat. In deze flat was natuurlijk een lift en op ons kinderen werkte een lift als een magneet  (in die dagen was een lift iets bijzonders). Ik geloof dat we van “liftje piepen” spraken. We bedoelden dan dat we stiekum met de lift naar boven en natuurlijk weer naar beneden gingen. Natuurlijk vonden de bewoners dit niet leuk en jaagden ons altijd weg. Ik geloof zelfs dat er een huismeester regelmatig achter ons aan zat als we weer met de Lift aan het spelen waren. Het was dus zaak uit zijn vingers te blijven.

Boven op de flat had je een prachtig uitzicht over onze wijk en je kon van alles zien. Deze flat had ook een ander groot voordeel. Alle brievenbussen waren beneden in de hal. Later toen ik voor Hennie Bos de slager en voor de Melker de grutter folders ging verspreiden kwam dat goed uit. We kregen één cent per folder en in deze flat schoot dat lekker op. 

In 2006 ben ik nog eens van de Papendrechtstraat naar school gelopen. Het viel mij op dat het eigenlijk allemaal heel dichtbij elkaar was. Voor mijn gevoel was de school en waren de winkels veel verder weg. Het schijnt dat je als klein kind afstanden heel anders waarneemt. Het is waarschijnlijk hetzelfde als met de tijd. Als kind duurde alles ontzettend lang. Een jaar leek een eeuwigheid. Nu vind ik dat de tijd vliegt en een jaar is niets meer.